172. E. du Perron aan M. ter Braak
Gistoux, Maandagavond. [13 Juni 1932]

Beste Menno, Vanmorgen ontving ik het breedvoerige proza van Bouws, dat ik hierbij sluit, ook om nieuw geklik voor te zijn. Zijn ‘standpunt’ en het verdere lesje zijn paskwillig genoeg om zelfs op Otten geen indruk te maken, en de toestand hier is nu zóó, dat ik graag tijd uitspaar. Ik heb hem dus in 3 regels geschreven dat ik bij een herhaling van het geval mij van verdere medewerking zou onthouden. Jij vindt dit wschl. weer niet goed, maar ik kan niet anders: Bouws vindt blijkbaar dat hij goed heeft gedaan en wenscht zich kennelijk het recht voor te behouden nogmaals hetzelfde te doen; ik vind dat hij verkeerd heeft gedaan en verdom het om nogmaals zooiets te ondervinden. Tusschen deze 2 zienswijzen is géén middenweg; - deze beknibbelarij is mij nooit gebeurd en het is mij onmogelijk die te accepteeren. Ik ben eig. nòg woedend op Bouws, om dat eigendunkelijk schiften van mijn correcties; als hij deze toon aanslaat van ‘jonge vriend, kijk eens hoe het zit’, zeg ik eenvoudigweg ‘verrek’. Beschouw dit nu weer niet als ‘vijandig’ tegenover jou; niets zou maller zijn. Met hart. groeten, steeds je

E.

vorige | volgende in deze correspondentie
vorige | volgende in alle correspondentie