[p. 377]

Vereenigd Tooneel
Max Mohr, Improvisaties in Juni

‘De drakenvlag neer!’

Het is in alle opzichten te betreuren, dat Van Dalsum zijn sympathiek devies onlangs in de Telegraaf tegenover Saalborn's drakenverering gesteld, laat ontkrachten door dit onrijp en vervelend geïmproviseer in Juni, dat de tegenstanders van zijn theorie een ongelukkig argument zal verschaffen tegen een m.i. principieel onaantastbare uitspraak. Immers beide uitgangspunten lijden aan een verklaarbare eenzijdigheid; maar Saalborn's eenzijdigheid is een onwaarheid, die de dood betekent voor alle toneel, dat nog die naam mag hebben. Het is de verdienste van Van Dalsum daarop met nadruk te hebben gewezen. De methode van Saalborn is onjuist. Het toneel is de periode van de vergeeflijke draak voorgoed voorbij. Er is ongetwijfeld een zelfstandige poëzie van het spel, er is zeker een groot gevaar in alle ‘litteratuur op het toneel’; maar onze eruditie laat geen, zelfs geen voorlopige, scheiding der factoren meer toe. Misschien mag ik hier het woord ‘antinomie’ nog eens gebruiken.... Wie het Woord als element aanvaardt, aanvaardt het met zijn volledige (d.i. ook litteraire) ontwikkeling; ieder drakig misbruik van het Woord blijft een zonde. Alleen de film, die leeft van het gebaar, waar het gebaar het enige Woord wordt, kan nog tolerantie voor de draak inroepen; het ‘litterair’ gegeven wordt hier hoogstens als motief aangegrepen, maar verder omgeschapen tot zuivere handeling. De grootste draak kan de grootste film zijn (Variété), omdat het drakige zich bepaalt tot een simpele aanleiding en niets meer. Men kan het psychologisch niet verantwoord achten, dat (in onze tijd!) de éne variétéartist de ander om een vrouw vermoordt, het doet er niet toe: Emil Jannings schept die mogelijkheid opnieuw, buiten alle litteraire motivering om, in het nog onweerstaanbaar élan van een jonge kunst der op zichzelf aangewezen aktie. Hier, inder-

[p. 378]

daad, mag het litteraire volkomen genegeerd worden, omdat het met de kern der zaak niets te maken heeft.

Of het de film of de kaskwestie was, die Saalborn naar zijn draak dreef, blijve in het midden. Het is in ieder geval een lege illusie door de toeneming der publieke belangstelling een nieuwe dramatiek te willen stimuleren; een dergelijke ‘historisch-materialistische’ redenering gaat niet op. Zij behoort thuis bij de voorbarige vergissingen, die de jazzband voor Strawinsky, levensritme voor kunstritme verslijten. Het publiek, dat naar de draak komt kijken, zal komen.... om naar de draak te kijken, eeuwiglijk (Tondeleyo, whisky, vioolsolo's). De collectieve belangstelling is geen maatstaf voor kunstwaarde. Er kan een toevallige coïncidentie van factoren zijn, het essentiële blijft, dat het geniale in de wereld komt, om niet begrepen te worden. Ik geloof bescheiden, dat dit sedert het Johannes-evangelie en Socrates nog niet veranderd is.....

Filminvloed op het toneel is voortreffelijk, want het tempo ligt op sterven. Maar geen verkeerde verwisseling van kernvraagstukken, die elkaar niet raken. Het toneel wordt niet meer op straat geboren, het heeft een verleden, het ontwikkelde zich mét het Woord, het neemt deel aan de litteratuur. Het Woord verbindt het toneel onverbrekelijk aan de woordkunst, al zullen zich de verhoudingen grondig moeten wijzigen.

Het Woord van de draak is verkrachting. Malgré tout: de drakenvlag neer!

 

De Improvisaties in Juni bezwijken aan de fatale fout van de andere kant: de litteratuur (en vrij slechte nog wel!) op het toneel. Daarom is deze radicale vergissing van v. Dalsum geen argument tegen zijn stelling in het algemeen: het blijft een geval, een.... vergissing, die volgens het spreekwoord menselijk is. Het bewijst, aan welke schandelijke excessen het drama zich te buiten kan gaan, wanneer het niet uitgaat van de dramatische plastiek. Het bewijst, dat enige goede lyrische en satirische fragmenten nog geen toneelstuk maken. Het be-

[p. 379]

wijst, dat de drakenvlag ook heel gemakkelijk ‘am andren Ufer’ kan gehesen worden.... Het bewijst niet dat de draak à la Saalborn redding kan brengen!

Dr. Max Mohr kant zich onder het motto ‘Europa ist tot. Es lebe der Europaeer’, tegen de morfologie van Oswald Spengler. Hij stelt tegenover de ondergang van het avondland enige frasen als: ‘er was vreugde en er zal vreugde zijn’, ‘het verbond der levenden’, de ether (!), die tussen een kind en een oud karrepaard trilt, etc. De levensbasis van de dierentemmer Tomkinoff, de vrijheid, overwint het schematisch dollarbestaan van de miljardair, die zich in dat bestaan onoverwinnelijk achtte. De dood uit ‘vrije’ wil van de europese vorstin wordt vruchtbaar in het leven uit ‘vrije’ wil van het jonge Europa, dat ook de ziekte van het jonge Amerika weet te genezen.... Zo betrekkelijk eenvoudig ziet Mohr het probleem, dat hij in die eenvoudigheid verkeerd stelt. Het gaat om veel gecompliceerder verhoudingen. Europa staat niet meer zuiver als Tomkinoff tegenover Amerika; het slachtoffer van het amerikanisme is de Europeaan zelf. De miljardair Samuel Mill, het prototype van de pijp-dollar-accent-amerikaan, is immers in zijn soort geheel gaaf. De Yankee is misschien een proleet, maar dan toch zeker een rasproleet.... Het bederf zit in werkelijkheid dieper. Onze cultuur zelf is geïnfecteerd, en systematisch, grondig. Mohr gaf die tweeslachtigheid in de toneelspeler Zerbach, die waarheid improviseert, maar onwaarheden leeft, Ahasverus speelt en zijn dochter verkoopt. Dit is Europa, het hoogmoedig-culturele, dat de Charleston danst, het fiere, eigenzinnige, dat wrigley's kauwt. Het is verder met ons gekomen, dan Mohr vermoedde, toen hij zijn onafhankelijke bandiet als een vals symbool daarachter opriep! Stel het dus rücksichtloser: ook Tomkinoff is zenuwziek! De fraseologie van het ‘verbond der levenden’ kan ons niet uit die impasse redden.

Dit is de speculatieve zwakte van het gegeven: de eeuwige vitaliteit van Europa wordt niet aannemelijk

[p. 380]

gemaakt, of, zoals iemand tegen mij zei: ‘De Amerikaan wordt hier niet vermoord, maar alleen vermohrt!’ ..... En al deze hoge, maar nonsensikale theorie gegoten in een meer dan dilettantische vorm (zoiets heet ook nog vorm!) die zijn jammerlijke krachteloosheid eigenlijk al te enenmale verraadt in de toneelspeler-op-het-toneel, de improvisator Zerbach, waarvan Mohr gebruik maakte, om zijn bruisende lyrische passie in godsnaam toch maar kwijt te raken. Niet, als b.v. in de Hamlet, vertraagt dit intermezzo de spanning, om haar te intensifiëren; het is alles theorie, met scherpe details vaak, maar kinderachtig ondramatisch, die geen wezenlijk verband houdt met het zich voltrekkend gebeuren. Slappe symboliek en oppervlakkige karikatuur, daarbij moet de ‘Europeër’ dan maar blijven leven!.... Ik vrees echter, dat Tomkinoff niet ‘gered’ zal worden, voor hij door het vagevuur van het amerikanisme is heengegaan, voor hij de cheque heeft geaccepteerd, die hij op dit toneel met een paar lieve poëtische woordjes afscheepte!

Zo was de ondergang van dit stuk zekerder dan die van het Avondland, al besteedde Van Dalsum er als regisseur en als speler alle moeite aan. Het bleef leeg en kaal. De spanning verliep zonder genade, toen Kloppers zich van de anderen niets meer aantrok en over de Himalaya ging vliegen. Deze creatie van de improvisator was overigens ongetwijfeld een originele, in de monologen vooral knap uitgewerkte vondst, al kan ik niet nalaten achter een te veel aan schutterigheid een tekort aan rolvastheid te zoeken. Lobo en Van Dalsum stonden tegenover elkaar als de goed getypeerde, maar niet wreed genoeg onttakelde dollarkoning en de pathetisch geïdealiseerde ‘Europeër’ waarvoor de enige leus kon zijn: to make the best of it. Deze taaie Tomkinoff, in edel-fascistisch zwart, kon niet meer worden dan een erge Mussolini.... Eerens gaf, buiten zijn nare symboliek om, enige prachtige ogenblikken als de zenuwzieke zoon. Een koele, aristocratische oude vorstin van Louise Kooiman bood een scherp contrast met de onmogelijkste rol van allen, de dochter van Zer-

[p. 381]

bach. Dat die juist nog in handen van de weinig spontane Sara Heyblom moest zijn, was niet bepaald een trouvaille.

 

13 maart 1926

M.t.B.