Henk Schaer
Voordrachtavond voor Pulchri Studio

Henk Schaer, die gisteravond met een zeer veelzijdig programma voor Pulchri Studio is opgetreden, was voor mij tot dusverre slechts een naam; maar hij heeft zich doen kennen als een uitnemend voordrachtkunstenaar, dien men zeker in de toekomst wel meer zal hooren. Niet alleen, dat zijn natuurlijke middelen bijzonder goed zijn; ook zijn spreektechniek is zeer volmaakt en getuigt van ernstige studie. Bovendien beschikt Schaer over begrip van de teksten, die hij zegt, wat men werkelijk niet van alle declamatoren kan beweren. Zijn talent neigt naar sterk dramatische bewogenheid, maar dat schaadt de dictie geenszins.

Ook de keuze uit oudere en jongere poëzie, die ik van hem gehoord heb, was zeer te loven. Van de middeleeuwers was alleen het Egidiuslied opgenomen. Onder de zeventiende-eeuwsche dichters was het vooral Stalpaert van der Wiele, die van Schaer de volle maat kreeg in ‘Sinte Agnes Bruyloft’; maar ook het welbekende ‘Scheepspraet’ van Huygens kwam in deze mannelijke opvatting voortreffelijk tot zijn recht. In het bode-verhaal uit den ‘Gijsbreght’ toonde Schaer zich een kunstenaar met sterk plastisch uitbeeldingsvermogen, al was het jammer, dat hiervoor het ‘Geestigh Lied’ van Breero kwam te vervallen.

De moderne dichters liggen Schaer zeker niet minder goed. ‘Jongleur de Notre Dame’ draagt hij even licht en snel voor als de twee dingetjes van Paul van Ostayen, die voor declamatie haast te futiel zijn, terwijl ‘Avond’ van Kloos en ‘Lethe’ van Boutens met groote beheersching van de stof worden verklankt. Ik kan alleen de voorkeur van den heer Schaer voor de daverende stortvloeden van Achilles Mussche (Mussert, veronderstelde iemand achter mij al) en voor de ‘Loflitanie van St. Franciscus’ van Marnix Gijsen niet deelen; ‘hier is de ijdelheid van een praatgrage tong’, zou men met Gijsen zelf kunnen zeggen, die door ‘Met mijn oom in de Bankkluis’ beter vertegenwoordigd zou zijn geweest. Dat neemt niet weg, dat Schaer ook dit zware vuurwerk knap laat ontploffen; maar hij heeft zulke woordkanonnades niet noodig om te bewijzen, dit hij zijn métier bij uitstek goed verstaat.

M.t.B.