Yvette Guilbert
Kurhaus

Yvette Guilbert blijft den tijd, waarvan een harer chansons op fatalistische wijze gewag maakt (‘Laisser faire le temps’), met onverwoestbare energie trotseeren. Zij verstaat de kunst om oud te worden en blijft erbij, dat men ook werkelijk met gemoedsrust oud kan worden. ‘C'est admirable de vieillir’: maar men moet de kunst daarvan verstaan. Ze zag onlangs in een (thans reeds verdwenen) filmtijdschrift de griezelig-waarachtige verbeelding van een teekenaar, die zich voorstelde, hoe Greta Garbo en Marlene Dietrich er over 25 jaar zullen uitzien; het was een gericht over veel mode-beroemdheid. Maar Yvette Guilbert is met het leven meegegroeid, en zoo staat zij telkens weer voor haar publiek als een kunstenares, die het volste recht heeft de jeugd uit te dagen.

Het begon ook gisterenavond weer met een klein college over het volkslied; een college aan een tafeltje met een groote massa geleerd uitziende papieren, die echter zeer spoedig plaats maken voor een lichter aspect. Montaigne wordt te hulp geroepen, de negers en de Roodhuiden worden even vervloekt, omdat zij de huidige poëzie beïnvloeden, en dan: ‘de ware historici zijn de volksdichters’, vrouwelijke logica van de suggestieve soort.

Dan volgt een uitval tegen de politiek, en wij arriveeren bij het thema vrouw, dat onuitputtelijk is; de mannen worden bedreigd, Yvette Guilbert neemt de partij van haar sexe, maar zonder feminisme. Zij blijft steeds realiste; haar talent heeft geen behoefte aan andere houdingen. Haar realisme omvat ongeveer alle motieven van het burgerlijke Frankrijk, met zijn grisettes en bonhommes, zijn herinneringen aan het ancien régime, zijn gezonde dosis anti-clericalisme, die zich overigens zeer wel verdraagt met de religieuze poëzie van den katholiek Francis Jammes.

Men kan van Yvette Guilbert moeilijk verlangen, dat zij zich nog vernieuwt. Zij heeft haar genre, dat in zijn soort niet te overtreffen is; dat heeft zij ook gisteravond weer in de zeer goed bezette zaal van het Kurhaus getracht. Er fungeerden verschillende bekende chansons op het programma; Paul de Kock en Derème behoorden weer tot de groote successen. Voor de pauze waren het voornamelijk volksliederen van 15e tot 18e eeuw, die mevr. Guilbert ten gehoore bracht; daarna kwam de 19e eeuw aan het woord. Ik behoef wel nauwelijks te zeggen, dat de geestdrift ook thans weer groot was, en dat Yvette Guilbert tenslotte de zaal liet meezingen over de bekende Hortense, ‘qui prend du tabac’. De kunstenares werd met bloemen bedacht. Haar begeleidster, Irène Aïtoff, deelde in het applaus.

M.t.B.