[p. 831]

Het plagiaat

I

Men moet een principieel onderscheid maken tussen de oorzaken en de aanleidingen, zeggen de historici. Van de oorzaken nu weet ik niets; ik vermoed ze zelfs niet, ik wil ze ook niet vermoeden; maar de aanleidingen? Ik zie duizend aanleidingen: een quaestie van perspectief. Natuurlijk, er is geen begin, alles moet veel vroeger begonnen zijn dan op die dag. Toch, die dag....

Ik zie Van Waveren weer binnenkomen in mijn kamer met het bewuste artikel. Nooit leek hij mij verdachter dan toen: waarom moest een redacteur Buitenland mij een artikel brengen, dat met zijn rubriek niets te maken had? Het zijn deze serviele dienstbewijzen, die mij altijd het meest in dit kreupele individu geërgerd hebben; hij had de habitus van een kellner, die een goede fooi verwacht, en hij sloop altijd door het gebouw als een stille verklikker. Daarbij die litteraire belangstelling, die door niets gemotiveerd was, en dat glimlachend citeren, eens op een prachtige Meimorgen, van de philosoof Heidegger, die ik verfoei (hetgeen hij wist). Het citaat sloeg nergens op; het was een van die vele slavencitaten, waardoor een padde op een leeuw tracht te lijken.

Ook dat zal ik niet vergeten: dat ik mij in tegenwoordigheid van ditzelfde onderkruipsel toen onsterflijk heb gevoeld, drie maanden voor hij mij het artikel bracht, prompt na het uitgefleemde citaat van Heidegger. Kan ik die sensatie weergeven, nu zij zo volkomen uit mij weggevallen is? Het ‘weergeven’ van sensaties lijkt mij vaak het platste, wat een mens kan doen; men houde de sensaties voor zichzelf, want zij waren privébezit, anders zouden zij geen sensaties zijn geweest. Maar goed: zij zijn ook geweest, ik moet ze memoreren. Hij citeerde, met zijn glimlachende buiging, en achter de Duitse woorden ging hij schuil. Hij wachtte, op een tegencitaat waarschijnlijk.

[p. 832]

Ik zweeg. ‘One law for the lion and the ox is oppression’, zong het in mijn hoofd (Blake); maar het was geen antwoord op zijn citaat; bovendien begeleidde het juist op dat ogenblik die sensatie van onsterflijkheid. Niemand zou mij op datzelfde ogenblik hebben kunnen wijsmaken, dat ik sterven of verouderen kon. Er zwol in mij een kracht voor tienduizend hoofdartikelen, tegen tienduizend ministers, over tienduizend onderwerpen van Leonardo da Vinci tot de lijkverbranding. Ik erkende geen tragiek, ik erkende geen revolver; het was mij onverschillig, dat ik naar de veertig liep. Het gevoel, dat ik Van Waveren kon maken en breken, dat ik zijn magere citaat van een Duitse philosoof met woorden van mijzelf zou kunnen vermoorden, benevelde mij. Misschien is dit het enige ogenblik van mijn leven, waarin ik alle verrukkingen van de volwassenheid heb geproefd: afgesloten te zijn van de aarzelingen der jeugd en niets te beseffen van het naderend verval; de wereld barstens vol van zinrijkheid, bereidheid een zee leeg te drinken; het hoofd vol van nog bijna vormeloze gedachten, die elkaar verdringen om het eerst aan de beurt te komen voor de vorm.

Dit alles geeft niet eens bij benadering weer wat ik voelde. Een citaat! Daarmee wilde die slaaf mij dus beschieten, terwijl ik zelfs voor een revolver onkwetsbaar zou zijn geweest! Toen besloop mij ook de neiging hem genadig te behandelen; ik nam hem in mijn onsterflijkheid op, ik aanvaardde zijn citaat door mijn hoofdknik en een onduidelijk geprevel van: ‘Tja, tja, mijnheer Van Waveren, wat zal ik u zeggen....’ Meer had hij niet nodig om te stralen en zich uit de voeten te maken, met zijn opgewekte sluippas. Ik heb nooit geweten, of hij louter een vakphilosoofje dan wel een spion was; men moet, om achter zulke dingen te komen, zelf gaan spionneren, en daarvoor is nodig, dat men zich voor het onderkruipsel levendiger interesseert dan ik deed, en doe. De heer Van Waveren is uit mijn herinnering weggevaagd; hij bestaat alleen nog door die twee momenten van mijzelf: de onsterflijkheidssensatie en het artikel, dat hij mij bracht, drie maanden later.

Hij legde dat artikel voor mij op mijn bureau en een oud nummer van De Echo er naast, na beide met een ceremonieel

[p. 833]

gebaar zo te hebben geschikt, dat ik de teksten kon vergelijken; zijn vinger gleed liefkozend langs de kolommen, eerst van het uitgeknipte artikel, daarna van mijn eigen artikel uit De Echo van drie jaar geleden. Ecco! Plagiaat! En plagiaat is waarachtig geen citaat! Dat beseft een Van Waveren, die in citaten leeft, duidelijker dan wie ook. Ik berinner mij zeer wel, dat hij, hoewel ook nu glimlachend, verontwaardigd was: ‘Als men citeert, heeft men zijn bron te noemen!’ Waarom, sluipende Van Waveren? Maar dat is een vraag, waarvan de beantwoording mij nu te ver zou voeren.

Mijn anonieme collega van Onze Strijd had het trouwens - ik diende het Van Waveren aanstonds toe te geven - ditmaal wel heel bar gemaakt. Men publiceert nu eenmaal niet letterlijk de zinnen van een tegenstander alsof het een eigen pleidooi is voor datgene, wat die tegenstander juist verafschuwt; dat dit mogelijk is, met behulp van enkele wijzigingen, weglatingen en een paar ingelaste onnozelheden, geplukt uit Thomas van Aquino en een obscure kerkvader, blijft intussen toch een opmerkelijk feit, en het trof mij ook die dag onmiddellijk als een soort hogere kunstvaardigheid dan die, waartoe Van Waveren ooit in staat zou zijn geweest. Van Waveren heeft wat hij in zijn jargon noemt ‘Originalitätsbedürfnis’; hij mag een spion zijn, klakkeloos overschrijven zonder bronvermelding ligt hem verre; hij is daarvoor niet origineel genoeg. Het slaafse apporteren van het plagiaat verschafte hem juist daarom de voldoening van de zelfrechtvaardiging, daarvan houd ik mij overtuigd. Ik was ditmaal echter niet in de stemming om hem weldaden te bewijzen en beloonde hem met niets dan een sigaret uit de doos voor de bezoekers. Het is pas later tot mij doorgedrongen, dat deze aanbrenger blijkbaar mijn oude artikelen grondig kende en er exemplaren van bewaarde.

Alleen gebleven vergeleek ik het artikel in Onze Strijd met het mijne, waarvan de inhoud mij nauwelijks meer mijn eigendom scheen. De anonymus had het werkelijk klakkeloos gecopieerd; maar de vier zinnen over Thomas en de kerkvader, die hij inlaste, hadden inderdaad een volkomen omkeer van de strekking te weeg gebracht. Er geurde mij iets katholieks tege-

[p. 834]

moet uit mijn eigen betoog, dat met de tussenvoegingen uitstekend harmonieerde. Wonderlijk, wonderlijk.

Het is misschien ook als een teken te beschouwen, dat mij onmiddellijk de lust bekroop, met dit geval te spelen. Een ander spel dan dat van de ontmaskering in de krant. Welk? Ik heb het mij destijds zeker niet duidelijk gerealiseerd, maar het spel wilde ik beginnen, buiten het versleten deuntje van de drukletters om. Een carrière, misschien wel een mensenleven, had ik in mijn hand: de kat en de muis. Deze anonymus zou niet meer bestaan, als ik zijn plagiaat publiceerde. Ik heb die publicatie, na de eerste opwelling, niet meer overwogen, want ik voelde mij allerminst beledigd of bestolen, eerder gevleid, en ook ietwat gegêneerd, omdat deze omkering van mijn bedoelingen (zij het dan ook bedoelingen van vier jaar geleden) door niets anders dan overschrijven en invoegen van vier zinnen mogelijk was geweest.

Er is iets opwindends in het bestaan van een onbekende in handen te hebben, terwijl deze het zelf nog niet weet, argeloos zijn weg gaat, wellicht zijn tweede (of is het al zijn dertigste?) plagiaat voorbereidt. Ik dacht aan hem die middag met de wreedheid van de man, die zich voorneemt genadig te zijn, zodra zijn spel op tafel zal zijn gelegd; omdat ik hem, de anonymus van Onze Strijd, toen nog in geen enkel opzicht kende, zelfs niet vermoedde wie hij kon zijn, meen ik mij over deze vorm van bloeddorstigheid te mogen verontschuldigen; in mijn wreedheid was stellig ook bewondering gemengd voor zijn zakelijkheid, en minachting voor de citatenslaaf Van Waveren, die tot zoiets nooit in staat zou zijn geweest. Aangezien ik mij zelden in de journalistieke wereld vertoon, kende ik het personeel van Onze Strijd niet, behalve de hoofdredacteur Xaverius Janssens. Dat hij zelf het plagiaat zou hebben gepleegd, was uitgesloten. Hij is in dit opzicht niet origineler dan Van Waveren. Een andere zaak, overwoog ik, is, dat hij verantwoordelijk is voor de inhoud van zijn blad; mijn eerste zet moet zijn hem die verantwoordelijkheid te laten voelen, hem op te zoeken.... Alweer: waarom? Maar wie vraagt er naar het waarom van het spel, als de opwinding eenmaal over hem gekomen is? Dat is het: de opwinding. De rest van deze

[p. 835]

episode is eigenlijk al bijzaak. In de opwinding hoorde ik muziek, die nieuwe barbarie van mijn bestaan.

II

Men kan mr Xaverius Josephus Maria Janssens niet over het hoofd zien, zelfs als men het graag zou willen. Wij kenden elkaar lang voor hij aan Onze Strijd en ik aan De Echo kwam; wij studeerden samen rechten, zij het op een afstand van elkaar, omdat hij een ijverig, ofschoon altijd rebels lid was van de katholieke studentenvereniging. Hij behoort tot die mensen, in wie ik vroeger nooit de bewijzen heb kunnen ontdekken van een oneerlijkheid, die ik in hen vermoedde; evenmin van eerlijkheid trouwens. Deze begrippen zijn niet toepasbaar op de geboren en getogen conformist Xaverius Janssens; hij leeft, nog steeds, ‘jenseits’ van eerlijk en oneerlijk in de sfeer van het ondoordringbare conformisme, maar door het opzwellen van zijn maatschappelijke betekenis is hij in de loop der jaren automatisch dichter bij de oneerlijkheid komen te staan. Het is zijn schuld niet, of men moet zijn geboorte en opvoeding ook zijn schuld noemen; voor iemand, die de biechtgewoonte niet aan den lijve kent, blijft Xaverius een plebejisch mysterie. Hij is een gewezen seminarist, daarmee is alles gezegd; eer hij rechten kwam studeren had hij het, naar men mij meedeelde, op het seminarie zozeer met de inblazingen der onkuisheid te stellen gehad, dat hij er van afzag priester te worden. Als de kerk het celibaat niet had gekend, zou hij het ongetwijfeld tot bisschop hebben gebracht; maar een bisschop met zes kinderen en een programma voor zes andere is onmogelijk. Xaverius heeft het seminarie verlaten, zich in zijn geboortestreek de wettige bijzit gekozen en zich door de journalistiek, gewroken over zijn verloren priesterschap. Hij ging door voor een handig, hoewel niet bijzonder knap jurist, was een onvermoeibaar werker en slaagde uitnemend in het katholieke krantenbedrijf, dat mensen van zijn slag (begaafden zonder intellectueel geweten) broodnodig heeft.

Ik herinner mij, hoe wij als studenten eens naast elkaar gezeten hebben aan een diner ter ere van een gemeenschappelijke

[p. 836]

kennis. Toen al had hij die eigenschap, die ik altijd als zijn meest typerende karaktertrek heb beschouwd: de neiging om zonder opgaaf van redenen buiten zijn oevers te treden. Ieder ogenblik van de dag scheen hij, mits met een publiek geconfronteerd, te kunnen opzwellen in de uitbundigste rhetoriek. Hij bezwoer mij aan dat diner (wij waren nog niet eens aan het dessert toe), dat hij evenzeer de twijfel kende als ik en dat hij onmiddellijk zijn geloof aan mijn voeten zou leggen, als hem het bewijskrachtig argument zou worden gebracht, waardoor de kerkleer zou worden ondermijnd. Dit even joviale als stormachtige toegeven aan de twijfel was het maximum aan eerlijkheid, dat hij in staat was op te brengen; maar aan de wijze, waarop hij buiten zijn oevers trad, overkookte in woorden, kon ik duidelijk zien, dat hij van deze eerlijkheid nooit of te nimmer een tragedie zou maken, dat hij niemand toe zou staan hem dat argument te brengen. Eens kreeg hij, zegt men, de kans; hij stortte tot ieders verbazing in elkaar en verdween voor twee maanden uit zijn redactiebureau onder het motto ‘overwerkt’. Sommigen verwachtten toen, dat hij als een herborene terug zou keren; maar hij kwam terug met een nog razender werkkracht, en overigens onveranderd, iets meer naar de oneerlijkheid overhellend misschien en met een stijgende behoefte aan ambten en leerlingen. Ik voor mij heb deze miraculeuze wedergeboorte nooit verwacht, na dat merkwaardige diner: een ‘once born man’ kan niet tweemaal geboren worden. (Ben ik zelf overigens een ‘twice born man’, zoals ik vroeger dacht? Ik wil geen antwoord geven op die vraag.)

Het is mij nooit gelukt de vijand van Xaverius Josephus Maria te worden, zelfs niet, toen zijn enthousiasme zich meer en meer begon te ontladen in handelingen, die men ‘streken’ noemt. Wie eenmaal deze weg bewandelt, kan niet halverwege rechtsomkeert maken; wie de angst voor de afgrond tracht te verjagen door buiten zijn oevers te treden heeft het recht op andere middelen lang verbeurd. Xaverius is in wezen een goedmoedige plebejer, die het met goedkope narcotica kan stellen; waarom zou men hem verfijnder soorten opdringen? Bovendien: hij narcotiseert zich vooral door een onafhanke-

[p. 837]

lijke positie in te nemen in zijn groep. Hij deinst voor geen aanslagen op de autoriteit van dekens en censoren terug, en door deze soort onafhankelijkheid boekt hij tweeërlei winst: hij ziet zichzelf als de onafhankelijke tout court (nog juist zo als aan ons diner) en hij geniet van zijn wraak over zijn gemankeerd priesterschap. In dit opzicht lijkt hij nog het meest op een eerlijk man; zijn ‘streken’, zijn verdraaide of uit het verband gerukte citaten en zijn moderne reservatio mentalis, moeten hem vooral beveiligen tegen de respectloosheid van de jeugd, die hij begeert zoals hij zijn wettige kinderen begeerde: als een cordon rondom hem, een voortzetting van zijn Xaverius-heid, die hem zal rechtvaardigen tegenover de afgrond. Dus krijgt hij de jeugd, die hem toekomt.

Nog diezelfde middag belde ik Xaverius op en vroeg hem, of hij een ogenblikje tijd voor mij had. Natuurlijk had hij tijd; hij werkt ononderbroken en heeft toch steeds tijd om andere dingen te doen. Toen ik in zijn bureau werd binnengelaten, werkte hij weer in al zijn kolossaalheid van dikke man temidden van een onbeschrijflijke papierrommel, in een sfeer van sigarendamp, die nooit wegtrekt, die in meubels en boeken doordringt; Xaverius bewoont het smerigste redactiebureau, dat ik ken. Hij wroette juist rond in zijn grote stapels papieren, opgetast rondom de demonstratief opgestelde portretten van zijn vrouw en de Heilige Ignatius, met zijn machtige en toch wat voze rug bewegend onder het crucifix aan de wand. Maar nauwelijks zag hij mij binnenkomen, of hij kwam mij met zijn omvademende priesterarmen uitgestoken tegemoet:

‘Hoe staat het leven, Laan, hoe staat het leven? Alles wel bij de liberalen? Komaan, ga zitten, neem een stoel. Rook je? Sigaar, sigaret? Sigaar toch zeker. In lang niet gezien. Jongen wij worden een dagje ouder. Maar sigaren houden een mens gezond.... Toch geen zwarigheden?’

Hoe hij al bij zijn gebruikelijke eerste hartelijkheidsuitbarsting op zwarigheden kwam, weet ik niet; het is mogelijk, dat mijn gezicht toch iets verraden heeft van het spel, dat ik met hem wilde spelen (après tout: hij wilde toch eens priester worden). In ieder geval, ik ontkende ze en stak zijn sigaar op. Na het zinneloze heen en weer gepraat en de rookverspreiding,

[p. 838]

die volstrekt noodzakelijk zijn om met Xaverius contact te krijgen, schoof ik hem het door Van Waveren rood aangestreepte artikel in zijn blad toe.

‘Wat vind je daarvan, Xaverius?’

Hij keek mij even verbaasd aan, hield de krant daarna eerst vlak onder zijn ogen, daarna op armslengte van zich af, alsof hij er gymnastiek mee wilde doen:

‘Wel, geen slecht artikel, als ik het zeggen mag. Wij zijn tegen die psychoanalyse, dat weet je, zodra men die tracht te populariseren, aantrekkelijk te maken met goedkope middelen. Wij kunnen aan die dingen niet meedoen, als katholieken, wij hebben daar stelling tegen te nemen. Er zijn elementen in de leer van Freud, die wij zeker kunnen waarderen, maar waar die heren doen, alsof zij het wereldraadsel kunnen oplossen en zich tot ieder mens kunnen richten, bevoegd tot oordelen of niet, daar vinden zij ons op hun weg! Ons artikel is een waarschuwing tegen excessen, tegen onvoorzichtig lezen. Maar jij behoeft er je niets van aan te trekken, het is niet voor jou geschreven, maar voor de geestelijk onmondigen!’

‘Geschreven dóór een geestelijk onmondige, lijkt mij.’

Xaverius lachte royaal. ‘Als je wilt, als je wilt. Voor jullie zijn wij allemaal geestelijk onmondig, is het niet? Neem mij niet kwalijk, ik geloof, dat wij katholieken iets dieper inzicht hebben in wat mondig en onmondig is dan de blinde heidenen en de ketters!’

‘Dus dat artikel was in de eerste plaats paedagogisch bedoeld?’

‘Absoluut, absoluut! Wij zijn geboren paedagogen, Laan, en wij zijn er heel wat eeuwen wel bij gevaren!’

Het kost Xaverius altijd moeite zijn trots over de twintig eeuwen christendom tegenover mij te onderdrukken. Hij weet sinds onze studententijd, dat die eeuwen geen indruk op mij maken, maar zij zijn een zo wezenlijk fundament van zijn overtuiging, dat zij hem steeds weer ontsnappen, als stoom uit een locomotief.

‘Dus: dit artikel is geschreven om geestelijk onmondigen te waarschuwen voor de gevaren der psychoanalyse vanuit het standpunt der katholieke moraal?’

[p. 839]

‘Je zegt het!’

Geen spoor van argwaan in de ietwat puilende ogen van Xaverius; hij voelde zich die middag juist bijzonder zeker van zichzelf en leunde met een verse sigaar zacht steunend achterover in zijn stoel, kringetjes blazend, zeer tevreden over zijn twintig eeuwen.

‘Apropos, Xaverius, mag ik misschien weten, wie de auteur is van het artikel?’

Terwijl ik dit vroeg, met iets in mijn houding, dat men ‘bestudeerde achteloosheid’ pleegt te noemen, realiseerde ik mij, plotseling en zonder enige overgang, dat het mij hoegenaamd niets meer kon schelen, wat hij zou antwoorden; de ernst van het spel, waarmee ik bezig was, drong tot mij door. Ik ben een slecht speler, want een spelbreker; nauwelijks heb ik een spel begonnen, of de afkeer, de walging zelfs van de regels maakt het mij onmogelijk verder te gaan. Maar ditmaal moest ik verder gaan; ik was een gevangene in dit stinkhok, centrum van Onze Strijd. Xaverius' wantrouwen scheen gewekt; ik zag iets van de joviale oneerlijkheid in zijn ogen, die ik zo goed ken. Had ik gehoopt, dat hij zichzelf zou aandienen als de schrijver, hoewel ik zeker wist, dat hij het niet was, die mijn regels copiëerde en lardeerde met een paar repen thomistisch spek? Ik geloof, dat ik deze kinderachtige verwachting had; maar ik speelde slecht, ik maakte zijn jezuïeteninstinct wakker, mijn vraag was inquisitorisch geformuleerd, en protestants direct. Ik hoorde Xaverius, die overigens niet van houding was veranderd, na een kleine pauze vragen:

‘Waarom interesseert je dat artikel zo bijzonder?’

Ik aarzelde met mijn antwoord. Van het ogenblik af, dat mij mijn eigen spel niet meer interesseerde, had ik tevens verloren. Wij, die misschien niet minder slim zijn dan jezuïeten en jezuïetengenoten, verliezen bij het spel altijd van hen, omdat wij niet kunnen volharden zoals zij; wij hebben niet hun belang bij dit alles, wij staan naakt achter ons spel. Ik had er op dit moment spijt van, dat ik het plagiaat niet voor publicatie had bewaard; in godsnaam, waarom niet? Weer een waarom, dat ik niet wens te beantwoorden. Een schitterend journalistiek succes verknoeid voor een grap, die bovendien nog met

[p. 840]

alle stunteligheid van de dilettant was opgezet! In dezelfde seconden van aarzeling besefte ik, dat ik al niet meer terug kon, dat ik nu, in ditzelfde stinkhok, tot de ernst moest overgaan, en dat ik de plagiator in koelen bloede aan Xaverius moest overleveren, terwijl een onthulling in De Echo hem alle gelegenheid gegeven zou hebben om achter een rookgordijn van algemeenheden te ontsnappen. Was dit mijn bedoeling geweest? Ik moet bekennen, dat ik in mijn spelersovermoed geen enkele consequentie had overzien. Wat ik verder zeggen ging, moest vooral kort zijn:

‘Dat artikel interesseert mij, omdat ik het zelf geschreven heb, weliswaar niet voor jouw onmondigen, en ook niet in naam van St Thomas, maar in De Echo en om de psychoanalyse als persoonlijke ontdekking te verdedigen tegenover de psychoanalyse als scholastiek.’

Ik weet niet, of ik letterlijk deze woorden gebruikte, maar wel, dat ik in der haast te veel munitie in één zin verschoot, om maar van het spel af te zijn. Ik had de voldoening, Xaverius te zien opschieten uit zijn zetel; hij staarde mij zelfs even verbijsterd aan. Ik schoof hem zonder er verder iets bij te voegen mijn eigen artikel uit de oude Echo toe. Ik zag hem vergelijken, tien, vijftien seconden, niet langer; hij is in staat om in vijftien seconden zulk een probleem volledig te bestuderen, zijn kansen af te wegen en zijn tactiek te bepalen. In de zestiende seconde begon hij buiten zijn oevers te treden; een overtuigend bewijs voor mij, dat hij al precies wist, hoe zijn zekerheid te hervinden:

‘Laan, jongen, dat is een ongehoord schandaal, dat is een affront voor de hele katholieke pers, voor de hele katholieke wereld, mag ik wel zeggen! Ik kan mij begrijpen, dat je buiten jezelf bent van verontwaardiging!’ Ik was dat niet, maar ik moest zijn diagnose in dit stadium op de koop toe nemen. Pauze. ‘Het is onvergeeflijk, dat ik dit over het hoofd heb gezien van die knaap.’ Ha, die knaap, zou het spel toch enige... zin hebben gehad? ‘Des te meer waardeer ik het in je, dat je de zaak op deze kiese manier hebt willen behandelen, dat je begrepen hebt, dat er hier rechtvaardigheid zal geschieden! Al was het de aartsbisschop zelf en al moest ik naar Rome

[p. 841]

gaan, ik zou het er niet bij laten zitten! Ik dank je hier voor. Van onze oude vriendschap mocht ik dit misschien verwachten, maar dat neemt niet weg... dat verkleint niets van deze daad, Andreas. Je kent mij lang genoeg om te weten, dat ik, boven de verdeeldheid en over de afgrond heen....’

Zijn beide omvademende priesterarmen kwamen op mij toe en ik had de beide handen, priesterhanden, in de mijne te voelen. Zij drukten en schudden, zij drukten iedere gedachte aan publicatie weg, zij schudden iedere intentie van schandaal af. Wij zijn machteloos tegen zulke handen, vooral als zij over een afgrond heenreiken. Trouwens, ik dacht aan geen publicatie en schandaal meer, ik dacht aan ‘die knaap’ en zijn plagiaat met een heftige begeerte op de vlucht te gaan voor de banjerende hoofdredacteur, die weer in zijn stoel zakte en langzamerhand terug begon te ebben:

‘Dat mag in de diocesane pers van Monseigneur Rijken getolereerd worden, ik duld zulke dingen niet. Ik zal er voor zorgen, dat je volledig eerherstel krijgt, in de vorm, die jij wenst.’

Hij had al geroken, dat ik niets meer wenste, dat ik hoogstens nog op eigen eerherstel uit was.

‘Allons, hoe regelen we dat?’ En weer naderden de vlezige priesterhanden, over de afgrond, omvattend.

‘Er is niets te regelen, mijn waarde Xaverius. Ik vroeg je immers alleen de naam van de schrijver... copiist... hoe je het noemen wilt. Pure belangstelling voor zoveel katholieke techniek! Ik verzoek je zelfs uitdrukkelijk hem niets over dit geval te zeggen.’

‘Ja, maar, dat is toch te gek, dat is toch te mal, dat...’

‘Hoe heet hij?’

‘Louis Steyn.’

‘Eén van je redacteuren?’

‘Neen, een knaap, die ik wel eens iets laat schrijven over culturele onderwerpen. Talentvolle kerel... dat is te zeggen...’ Xaverius lachte smakelijk, breed, zijn ene hand wuifde het talent weer weg.

Louis Steyn, ‘die knaap’. Ik verbeeldde mij die naam wel eens gehoord te hebben, maar ik wist volstrekt niet waar, in

[p. 842]

welk verband. Maar erger: het kon mij niets meer schelen; het noemen van de naam had mijn laatste spoor speelzucht doen verdwijnen. Voor mij bestond er die middag geen ander probleem meer dan dit: weg te komen uit het stinkhok met het crucifix. Xaverius rustig te kunnen bewonderen en verachten ergens in een café.

Of: verachten en bewonderen? Met deze gedachte besloot ik dit bezoek, dat voor de rest van geen enkel belang meer is.

III

‘Bewonderen of verachten? Naarmate ik ouder ben geworden bestaat het verschil minder voor mij. Ik zeg niet, dat het niet van het hoogste belang is voor de wereld, dat het in stand wordt gehouden; maar voor iemand van over de zestig - of laat ik mij nauwkeuriger uitdrukken: voor mij, nu ik de zestig al lang en breed gepasseerd ben - zijn bewondering en verachting twee thema's van een fuga, meer niet. Overal waar ik bewondering ontdek, weet ik, dat de complementaire verachting er ook moet zijn. Jouw Xaverius b.v. is een bewonderenswaardig product van de schepping, omdat hij volgens onze mening een verachtelijk gebruik maakt van het denken; naarmate hij zich van verachtelijker middelen bedient, wordt hij dus als product bewonderenswaardiger, want gaver, beter ingericht op de zelfhandhaving van zijn persoonlijkheid. Ik heb sinds lang niet meer de moed om de Xaverii met hun tros te verachten, omdat ik maar al te goed weet, dat die verachting van mij een verantwoording vraagt: waarom verachten, in naam van welk beginsel, van welke partij? Om zonder beginsel en partij te kunnen verachten, daarvoor is energie nodig... of beter gezegd: jeugd.

Let nu eens op. Ik zal je Xaverius schilderen als een bewonderenswaardig mens, en je zult er niets tegen in kunnen brengen. Hij is humanist en democraat, hij bestrijdt de verschijnselen, die ons het meest bedreigen, jou en mij, fascisme, nationaal-socialisme, totalitarisme, zonder zich tijd te gunnen adem te scheppen....’

‘Maar in naam van een dik vooroordeel!’

[p. 843]

De oude Dubois glimlachte witjes.

‘In naam van een dik vooroordeel, goed. Jouw energie, jouw jeugd doet je nog maatstaven aan de hand om de dikte van vooroordelen te meten. Ik wil toegeven, dat zijn vooroordelen dik zijn, maar ik vraag mij af, of je dikke vooroordelen in naam van dunne moogt verachten. Verachting van vooroordelen gaat uit van de fictie, dat je zelf zonder vooroordelen bent, vergeet dat niet. Wil je die fictie in stand houden, ja of neen?’

‘Neen.’

‘Eh bien. Dan zul je ook de mogelijkheid moeten overwegen, dat iemand met een dik vooroordeel beter is toegerust voor de levensstrijd dan iemand met een dun, en jij zult de man, die - om welke reden dan ook - aan jouw kant staat door dik en dun moeten steunen in plaats van hem om fictieve redenen te verachten; je ziet, ik kan nog heel best woordspelingen maken ook. Hij is katholiek: à la bonne heure. Hij heeft geen intellectueel geweten: alweer een woord van je Nietzsche, dat mij een uitvlucht, een dooddoener lijkt. Ik begrijp zeer wel, wat je ermee bedoelt. Jij en ik hebben wèl een intellectueel geweten, Xaverius niet, dat staat vast; wij behoeven elkaar geen lesjes in terminologie te geven. Maar nogmaals: je moet iets van de jeugd over hebben gehouden, om daarop je waardebepaling van de mensen te funderen. Wij wensen voor onze persoonlijke omgang mensen met een intellectueel geweten: dat is iets anders, dat is een quaestie van smaak, daarover valt in het geheel niet te discussiëren. Om verder te gaan, om uit die persoonlijke voorkeur af te leiden, dat deze mensen ‘hoi aristoi’ zijn: daarvoor is jeugd, jeugd, jeugd nodig, begrijp je?’

Dubois was omhoog gekomen uit zijn verzakte houding. Ik kende die flikkering in zijn ogen.

‘Ik scherts niet, versta je!’

Inderdaad, ik wist dat nog van twintig jaar geleden; hij gebruikte die uitdrukking ook als leraar in de klas, en wij wisten, dat hij dan werkelijk niet schertste. In onze conversatie, hoe vriendschappelijk ook sedert de latere vereffening van het onderscheid heiland-discipel, zijn altijd een paar van die klassetermen blijven hangen. Het verschil tussen leermeester en

[p. 844]

leerling is nooit volkomen weg te wissen; men kan nooit geheel vergeten, dat men iemand vereerd heeft zonder critiek; een willekeurige situatie kan telkens weer, midden in een gesprek van gelijken, die oude verhouding terug doen keren. Misschien - ik heb mij dat pas lang na deze discussie over vooroordelen gerealiseerd - ging ik de dag na mijn zonderlinge visite bij Xaverius wel juist naar de oude Dubois toe, omdat ik zijn leerling ben geweest, omdat ik, door zulke gevallen aan hem te vertellen, altijd nog min of meer het gevoel heb, dat hij mij er een nieuw perspectief van kan laten zien, als leraar. Ik tutoyeer hem; hij heeft het mij destijds uitdrukkelijk gevraagd en het is mij langzamerhand ook... gelukt, hoe anorganisch het mij in den beginne ook toescheen. Zijn voornaam (Richard) heb ik nooit durven gebruiken; wij noemden hem n.l. onder elkaar in de klas wel Richard.

Toen ik zeventien was, was Dubois drie en veertig. Hij was toen op het hoogtepunt van zijn roem; wij, leerlingen van de vijfde klasse gymnasium, wisten, dat onze leraar buiten de school een ‘gevreesd criticus’ was, leider van een tijdschrift, dat de naam had oneerbiedig te zijn tegenover alles en allen. Deze reputatie was voor ons de aureool om Dubois' hoofd: een leraar oneerbiedig tegenover alles en allen! Hij had, behalve zijn prikkelende geschiedenislessen, niet meer nodig om door ons gecanoniseerd te worden. Wij lazen de artikelen van Dubois, die wij prachtig vonden, omdat zij ons eigen verzet tegen de ouderen schenen te rechtvaardigen. Ik herinner mij, dat in hetzelfde jaar zijn vrouw plotseling stierf; een vrouw, waarvan wij niets wisten, maar die wij als figurante mee betrokken in onze cultus. ‘Hij is er kapot van’, fluisterden wij en sommigen onzer konden hun tranen niet bedwingen, toen hij, na vier dagen weg te zijn geweest, weer voor de klas stond en ontroerd zijn keel moest schrapen.

Was hij er kapot van? Wat is dat: kapot? Aan de dood van zijn vrouw groeide een legende vast, die algemeen gevent werd als een dramatische verklaring, maar die mij, nadat ik hem beter heb leren kennen, altijd suspect, want goedkoop heeft geleken. Zeven maanden na dat sterfgeval trok Dubois zich terug uit de redactie van het tijdschrift, dat hij tot het

[p. 845]

zijne had gemaakt (hij publiceerde nooit iets anders dan critieken, op een paar jeugdverzen na, die wij destijds in een obscuur blaadje opspoorden). Hij heeft sedert dien twee en twintig jaar geleefd en geen letter meer geschreven. De dood van zijn vrouw, van wie hij ontzaglijk had gehouden, aldus de legende, had hem zo aangegrepen, dat hij voortaan nooit meer etc. etc.; men behoeft dergelijke legenden niet met zoveel woorden te vereeuwigen. Deze legende veronachtzaamde b.v. het feit, dat Dubois drie maanden na de dood van die vrouw nog een van zijn felste polemieken liet verschijnen: een moordend artikel, waarmee hij zelfs de burgerij tot zwijgen bracht. Niet, omdat zij overtuigd was, maar omdat hij het haar door een reeks van bijzaken onmogelijk maakte de hoofdzaak te miskennen en nog langer de partij van zijn tegenstander te kiezen. Er zijn van die gevallen, dat een gehaat criticus ook de velen, die hem met weerzin aan het werk zien, de weg der ontsnapping afsnijdt; zijn en hun normen raakten elkaar toevallig, zij staan plotseling met hem aan één kant en moeten dat erkennen, vol schrik overigens.... Ik herinner mij dat artikel nog zo goed, al kreeg ik het niet onder ogen, omdat het veel gerucht maakte en Dubois bij die gelegenheid zelfs door provincieblaadjes werd erkend als een ‘weliswaar zeer eenzijdige en destructieve, maar toch in het geheel der cultuur onmisbare geest’. Maar in de maanden na dit opzienbarende artikel publiceerde hij nog van allerlei, en men moet dus wel respect hebben voor de mensen, die zijn zwijgen, pas vier maanden later begonnen, altijd hardnekkig aan die overleden vrouw hebben vastgekoppeld. Een mysterie moet altijd gevulgariseerd worden tot een legende, desnoods met geweld. Het is overigens waar, dat Dubois gelukkig getrouwd was, en de eerste weken na de begrafenis verstrooid was en versomberd. Zij hadden geen kinderen; hij groef zich voortaan in als een verlaten celibatair, in hetzelfde huis, waarin hij met haar gewoond had, een onpersoonlijke, peper-en-zoutkleurige dame voor de huishouding aan zijn zijde, die later weer verdween. Zijn studeerkamer werd het terrein van onze schermutselingen; ik bezocht hem als student, als advocaat (de tijd van mijn mislukte experiment in de ‘pure’ juristerij)

[p. 846]

en als redacteur van De Echo meestal een keer of drie, vier per jaar.

In het wegstervende licht van de zomeravond zag ik hem in zijn merkwaardig kleurloze stoel terugduiken; hij paste volkomen in die stoel, die mij altijd deed denken aan een gobelin. Ik zag nu, dat hij begon te ontsnappen naar de ouderdom, en profil; maar nauwelijks wendde hij mij zijn gezicht weer toe, of hij was weer jong. Deze twee gezichten heeft Dubois altijd gehad; hij was vroeg oud en tegelijk lang jong, piepjong zelfs, met iets van knaapachtige zinnelijkheid om zijn mond onder het sikje, die in toom gehouden scheen te worden door zijn nuchtere ogen. Pas dit laatste jaar van zijn leraarschap begon zijn oude gezicht te overheersen; het jonge streed er nog tegen, maar zonder de eclatante successen te behalen van weleer. Er viel een late zonnestraal op zijn wang, die inschrompelde onder de aanraking. Hij leek mij nerveus.

‘Ik herhaal’ (ook dat was nog van de leraar) - ‘ik herhaal, dat ik niet scherts. Er is één ding, dat ik sinds lang niet meer kan en wil doen: strijden tegen de middelmatigheid, omdat zij middelmatig is. Ik haat de mensen, die daaraan hun kracht verspillen. Of: haten is veel gezegd, ik gun ze dit pleizier, maar ik lach erom. Wat mij nog interesseert is, waarvoor de middelmatigheid gebruikt wordt. Ik betrap mijzelf telkens op bewondering voor die middelmatigheidsherders, die blijkbaar zelf genoeg middelmatigheid in zich hebben om solidair te zijn met hun schapen. Ik... enfin...’

Hij zweeg, alsof hij aan iets geheel anders dacht. Het huis om hem heen zweeg, zijn lange rijen boeken zwegen. Plotseling schoot het mij te binnen, hoe hij mij een kwart eeuw geleden het eerste ‘grote-mensen-boek’ uit die kast had geleend, toen ik op een goede dag ontdekt had, dat jongensboeken niets betekenden voor een denkend wezen. Hij had dat begrepen.

‘Het misbruik van de originaliteit’, begon hij weer, ‘is een walgelijke verspilling. Men heeft gesmeten met originaliteit, men heeft in naam van God weet wat de oorspronkelijkheid aanbevolen; de middelmatigen weten nu zelfs, dat zij proberen moeten zo oorspronkelijk mogelijk te zijn. Bah! Geef

[p. 847]

mij dan maar Xaverius Janssens, geef mij dan maar die onuitroeibare monseigneursmoraal, die herderstactiek.... Wie weet, misschien zijn zij wijzer dan wij. In ieder geval kunnen wij hen niet missen....’

‘Ben je op weg naar Rome?’

Mijn toon moet spotachtig geklonken hebben, want zijn jonge gezicht stoof op tegen zijn oude en tegen mij:

‘Zoiets zegt alleen de jeugd, de originele jeugd! Meneer maakt zich ongerust over het verloren gaan van een zieltje, precies als monseigneur Xaverius, meneer is pastoor voor zijn originaliteitsgemeente. Wanneer, verdomd, zul je eindelijk die arrogantie kwijt raken? O, die knaapjes-arrogantie van de onuitputtelijke vitaliteit! Laat mij in vrede sterven, in coma bij voorkeur. Pindarus noemt “koma” de kalmte, die de muziek over ons doet komen. Wie heeft iets aan originaliteit, als hij moet sterven? “Ik wil mooi doodgaan, als een vlammend vuur”, heeft een van die jeugdige energiemisbruikers wagen op te schrijven. Ik gun hem... neen, ik gun ook hem coma, diepe slaap, muziek, vergetelheid en een domme illusie op dat moment. Ervaring! Wie ervaringen heeft, is niet origineel meer, althans niet met die arrogantie van de jeugd. Als de originaliteit hem bezoekt, is dat geen bezoek, maar een regelrechte bezoeking.’

Er was iets in de stem van Dubois, dat mij alarmeerde. Zijn handen beefden. Hij sprak zelden tegen mij zonder zijn ironische reserve te verliezen: een reserve, die ik respecteerde, omdat ik van hem geleerd had en niet hij van mij.

‘Maar hoe stel je je een bewust levend mens voor zonder originaliteit? Hij zal, dunkt mij, niet veel anders kunnen doen dan zich bij een van de vele tradities aansluiten, een jezuïet worden, op zijn manier...’

‘Onzin, onzin!’

Ik voelde mij geprikkeld worden door die decreterende heftigheid:

‘Onzin? Bewijs mij dan het tegendeel! Er is geen keus: wie de originaliteit afzweert, komt onherroepelijk bij het conformisme terecht!’

‘En wat dan nog?’

[p. 848]

‘En wat dan nog? Dat betekent het einde, de dood avant la lettre!’

Dubois lachte, maar het leek op een hoon aan mijn adres:

‘Zulk een dode zie je hier dus voor je, in levenden lijve. Het levende lijk, de vrijwillige ontbinding door het conformisme. Wat denk je wel van mij? Dat ik vrijwillig in de dood was gegaan? Dat ik vrijwillig de originaliteit had opgegeven om mij aan te sluiten bij en op te gaan in de gemeenschap der Leraren, die ik dit jaar verlaten moet? Nog altijd schijn je niets te begrijpen van de ervaring, de enige ervaring, die meetelt, als het er om gaat iets te doen of niet te doen!’

‘Maar over welke ervaring heb je het dan? Een mystieke ervaring zeker! Onuitsprekelijk argument, dat alle andere argumenten buiten werking stelt! Ja, dan houdt alles op.’

Dubois antwoordde niet. Hij scheen zelf gemerkt te hebben, dat wij op dat ogenblik als vijanden tegenover elkaar stonden, en de belachelijkheid van dat feit in te zien. Wij zwegen beide, terwijl de schemering over ons heen kroop. Wij zwegen vijf minuten. Deze stilte was zo, dat hij haar op twee manieren kon verbreken: door een banaliteit, die ons naar de bewoonde wereld zou terugvoeren en deze episode zou annuleren, of door een vertrouwelijkheid, die onze verhouding zou veranderen, misschien onmogelijk maken. Was het de invallende duisternis, die hem de laatste weg liet kiezen? In ieder geval, op dat ogenblik koos hij die weg:

‘Je hebt gelijk: ik heb niet het recht chantage te plegen met een ervaring, die ik achterhoud. Voor mij is die ervaring een soort formule geworden, die ik gebruik om het begin van een tijdvak van mijn leven te dateren: het tijdvak van het levende lijk. Ik heb die ervaring al meer dan twintig jaar altijd bij me, maar in onschadelijke vorm, als een stuk verleden, dat een naampje heeft gekregen. Ik zal je die naam noemen: angst voor de heilstaat. Zegt je dat iets?’

‘Niets, maar...’

‘Je behoeft je niet te excuseren; mijzelf zegt het in deze seconde ook nog niets. Ik weet alleen, dat ik door deze benaming er eens in slaagde te ontsnappen aan de ervaring, waarover ik sprak. Die ervaring had geen naam; zij was niets an-

[p. 849]

ders dan... een ervaring, wie weet, misschien wel de mystieke ervaring, waarover zoveel verteld wordt. Maar ik geloof, dat men meestal de naam der ervaring met de ervaring zelf verwisselt, ook, juist, in de mystiek. Wie de ervaring een naam geeft, is al bezig terug te keren tot de taalwereld, die geen persoonlijke ervaringen kent, alleen de schijn ervan.... Goed, herinner je je mijn artikel, nu meer dan twintig jaar geleden, waarin ik Antonides de nek omdraaide, door hem met al zijn bronnen te confronteren, die hij zo zorgvuldig verzweeg?’

Ik knikte. Het was het artikel, waardoor Dubois de burgerij tot zwijgen bracht, zijn grote overwinning.

‘En herinner je je het algemene succes? Het plotselinge bijdraaien van X, het huldebetoon van Y? Al die aandoenlijke erkenning van mijn scherpzinnigheid, die in dit bijzondere geval op niets anders neerkwam dan op behoorlijk onderscheiden tussen bluf en talent?’

‘Hoe zou ik mij dat niet herinneren! Ik was achttien jaar, en jij was onze afgod!’

‘Goed. Ik heb van die triomf op mijn manier genoten. Ik dook op uit een zee van ellende, ik had behoefte aan zoiets... zoiets kinderachtigs. Ik slikte dat alles met de voldoening van een miskende uitvinder, die eindelijk patent heeft gekregen op zijn gewrocht. Ik voelde de goedkoopheid van dat succes, maar ik baadde me daarin. Ik breide er andere artikelen aan vast, zo mogelijk nog origineler. Goed...’

Dubois was nu een schim geworden. Wij waren beiden nevelingen.

‘...op een avond - niets was er dat mij waarschuwde - kreeg ik die ervaring, die ik in de daarop volgende maanden “angst voor de heilstaat” ben gaan noemen. Door die woorden moet mij het afschuwelijke van de ervaring allang ontvallen zijn, want ik heb duizend maal gezegd en gedacht: “angst voor de heilstaat, angst voor de heilstaat, angst voor de heilstaat”. Telkens, als de ervaring terug wilde komen, begon ik: “angst voor de heilstaat”, enz.: tot ik op een goede dag merkte, dat de woorden geen schijn van gewaarwording meer bij mij opwekten. Maar dat was later, veel later...’

Weer hoorde ik Dubois zwijgen. Het was, als zocht hij de er-

[p. 850]

varing met zijn bevende hand op het tafeltje met wit schemerende kranten naast hem, als begon hij louter tot zich zelf te spreken.

‘Ik heb dit - o ja, Dit noemde ik het ook een tijdlang - altijd willen beschrijven; maar eerst kon ik niet, omdat de ervaring mij dadelijk te lijf ging, en later kon ik... niet meer, omdat de woorden al te veel macht over mij hadden gekregen. Let nu op: “angst voor de heilstaat”, wat is dat, wat was dat? Het is zoiets, alsof lange zuilen naar boven gaan, parallel, en of zij toch ergens samenkomen, waar ze niet mogen samenkomen.... Neen, dat is het niet, dat is het niet.... Luister: de ontzettende angst, die mij die avond (ik zat in een café met drie willekeurige kerels) op het lijf viel, was, dat mijn succes op iets ging uitlopen, op mijn gelijk boven alle anderen, op een harmonie, waarin niets meer te denken zou zijn, niets meer te veranderen of aan te vullen of anders te denken... en verder, dat alle denken zulk een harmonie als eindpunt veronderstelt... dat wij op weg zijn naar een heilstaat, die wij niet mogen bereiken, niet willen bereiken, die wij met hart en ziel vervloeken, verafschuwen. De afschuwelijkheid van een hemels Jeruzalem. Op dat moment pas - het was toch al een paar maanden nadat het artikel verscheen - realiseerde ik mij, dat ik mijn tegenstander werkelijk vermoord had, dat ik hem dus niet meer als tegenstander had, dat ik niets meer kon bedenken, dat de komst van de heilstaat in de weg stond... ja, ja, een paar kleinigheden in de practijk, maar dat telt niet mee, het opruimen daarvan kunnen wij aan de politici overlaten....’

Zwijgen. De sidderende hand op het tafeltje.

‘...Ik weet nu niet meer, wat ik aan die ervaring heb geromanceerd om haar kapot te maken. Mijn eerste reactie kwam niet in woorden, maar van mijn maag: ik dacht, dat ik moest braken, maar zelfs deze impuls liep dadelijk dood. Die drie kerels hebben alleen gemerkt, dat ik “onlekker” werd en wat onverwacht afrekende en wegging. Ik liep door de stad, zonder te weten waar... of neen, soms wist ik beklemmend precies, waar ik liep en het waarom van nu-juist-deze-straat leek mij dan al een vervulling, die naar iets wees, naar die vervloekte harmonie. En voortdurend moest ik worstelen met

[p. 851]

woorden en beelden, die ergens heen wezen... naar het niets, naar een afgrond, heb ik het later genoemd, maar soms was er alleen die angst voor de heilstaat, die braakneiging en het klamme zweet....’

Zwijgen.

...Verwar het niet met ellende. Ik kwam uit ellende, de dood van Hertha; maar de ellende is zo wanhopig zinvol, spannend zelfs, evenals het succes, vergeleken bij... dit. De ellende en het succes zijn origineel... aan de angst voor de heilstaat is niets origineels meer, alles is hier hetzelfde, onverschillig wat, de enige ambitie, die overblijft, is, weg te zinken in een vergetelheid, waarin de heilstaat niet kan doordringen, alles tegelijk te zijn en niets te zijn. Zaligheid of ellende, zij worden beide niets; het zijn, op deze plaats, en niet op een andere plaats, waar men ook niet zou willen zijn, omdat daar weer een stadium zou zijn van de ontwikkeling naar de harmonie.

Dat is een persoonlijke ervaring, waarop een mens maar op één manier kan reageren: door een poging zich te redden van die absurditeit, met woorden, met broom, met alle bezweringsmiddelen, die werken; de meeste werken niet, hoeren, lekker eten, zuipen, lezen, ze werken niet; ze vereisen te veel handelingen met een doel in het zicht, en het doel heeft onvermijdelijk de heilstaat in zijn verlengde. O, die onschuldige heilstaat van de socialisten, dat originele plannetje van Marx, waarvan hij zo helemaal de absurditeit, de walgelijkheid niet heeft beseft! Al die millioenen op weg naar een heilstaat, die op komst is: dat vreselijke klatergoud aan het einde, als vanzelfsprekend toegevoegd aan de actie van het proletariaat. Zij noemen dat een belofte; het hemels Jeruzalem was tenminste rechtschapenen na de dood beloofd, dat is psychologisch verteerbaar. Realiseer je dat even: het denken en handelen van de millioenen gedrild in dienst van een afschuwelijke fictie, een vacuum! Alsof het de gewoonste zaak van de wereld was!... Wie dat gezien heeft, ervaren, die weet alleen nog, dat hij zich redden moet, hoe dan ook.

 

Fragment van een onvoltooide roman, vermoedelijk geschreven in 1939.