Joris Ivens:
Filmtechniek II

Aanteekeningen bij de twee afbeeldingen van filmstrooken

Een Kinofilm is een celluloïd band ter breedte van 35 m.M., die aan beide zijden geperforeerd is, en waarop zich een reeks fotografische filmbeelden bevindt (zie nevenstaande afbeeldingen op ware grootte).

Bij een filmvertooning wordt elk dezer beelden een onderdeel van een seconde stilstaand op het scherm geprojecteerd. De normale beeldfrequentie per seconde was vroeger 16, tegenwoordig kan men in de praktijk rekenen met een vertooning van 20 à 22 beelden per seconde. (In vele theaters worden deze getallen belangrijk overschreden tot groote schade van de filmvertooning).

Het wisselen van de beelden mag niet op het projectievlak zichtbaar zijn. Gedurende dit wisselen wordt de lichtbundel, die bij het apparaat uit de lens treedt, afgedekt.

Bij het opnemen van een film van een bewegend object wordt een reeks elkaar opvolgende moment-

illustratie
FILMOPNAME JORIS IVENS

[p. 87]

[9]

 

opnamen genomen. Dit is duidelijk te zien bij de filmstrook van het draaiende rad.

In den tijd waarin dit rad een kwartslag draaide, werden snel achtereen twaalf moment-opnamen genomen. (Vergelijk ook de filmstrook met naderende personen).

Bij de projectie wordt dus aan de toeschouwers een opvolgende reeks van, in plaats verschillende en op zich zelf stilstaande, beelden vertoond.

Toch wordt door de toeschouwers een continu bewegingsverschijnsel waargenomen. In den loop der jaren werden hiervoor tal van theoretische verklaringen gegeven, die zich echter geen van allen konden handhaven.

De eerste, werkelijk goed gedocumenteerde en buitengewoon waardevolle studie over het probleem van de optische schijnbeweging verscheen kort geleden: ‘Optische Schijnbeweging’, proefschrift van Dr. H.G. van der Waals.

T.z.t. hoop ik op de projectie van de film en de waarneming daarvan door den toeschouwer nader terug te komen.