Menno ter Braak
aan
H. Marsman

Rotterdam, 11 maart 1933

Rotterdam, 11 Maart '33

 

Beste Henny,

Je wilt me wel veroorloven op je briefkaart zoo openhartig mogelijk antwoord te geven. Ten eerste steekt het mij, dat je op grond van een zakenbriefje van Bouws dadelijk tegen mij optreedt, alsof ik daarvoor verantwoordelijk was. Zelfs al mocht er in deze quaestie een fout gemaakt zijn, waarover aanstonds, dan nog heb je niet het recht, om van Eddy en mij zoomaar te veronderstellen, dat zulks uit onvriendschappelijkheid gebeurde. Ik vind dat veronderstellen van onvriendschappelijkheid en gebrek aan belangstelling ronduit idioot; je weet goed genoeg, hoezeer wij juist jouw medewerking op prijs stellen; ook, dat we altijd met de meeste spoed je bijdragen hebben geplaatst. Waarom dus dadelijk bij ons kwade trouw verondersteld?

Nu de zaak zelf. Elsschot heeft ons inderdaad den roman gestuurd; over de plaatsing is nog geen definitieve beslissing gevallen, maar ik b.v. ben er zeer voor, hem in zijn geheel op te nemen. Hoe staat het nu met jouw roman? Al maanden wachten wij op de toezending; wij weten er niets van, kennen alleen een fragment, dat je zelf desavoueert, en houden inmiddels plaats voor je vrij. Daarbij schrijf je mij eenigen tijd geleden, dat je ‘een paar fragmenten’ wilt sturen, waaruit ik opmaak, dat je over publicatie van den heelen roman niet meer denkt. Je hebt me bovendien nog gezegd (in ‘Riche’), dat Querido alleen plaatsing van fragmenten wil. Zeer onlangs heb ik je nog gevraagd, ons die fragmenten nu eindelijk te sturen, zoodat wij tenminste kunnen oordeelen. Volkomen onverwacht komt nu ‘Kaas’ van Elsschot, dat mij en Roelants (Eddy heeft het nu) van het begin tot het eind zeer geschikt voor plaatsing lijkt. Je zult ons toch zeker ook niet kwalijk nemen, dat wij dien roman, die natuurlijk ook in den herfst als boek moet verschijnen, accepteeren. Daarmee is geen unfairheid tegenover jou begaan, want de roman is kort en plaatsing in 3 afleveringen is dus zeer wel te vereenigen met fragmenten van jouw roman. Ik zie dus niet in, waarom je nu plotseling een persoonlijk motief achter een volkomen neutrale tijdschriftquaestie zoekt.

Verder: dat je zooiets veronderstelt, bewijst, dat je het graag wilt veronderstellen. Stel je voor, dat ik b.v. achter het voortdurend uitblijven van je romanfragmenten een soort van onvriendschappelijke houding ging zoeken!

Als er hier dus een fout begaan mocht zijn, of als ik een verkeerde indruk mocht hebben gekregen door je uitlatingen over je roman, wil ik natuurlijk dadelijk mijn schuld toegeven, zoodra de feiten mij daarvan overtuigen. Ik meen echter nu nog, dat jouw nonchalance in dezen erger is dan de onze (subs.: mijne, want ik spreek natuurlijk alleen voor mijzelf). Maar ik wil je voorstellen, dat verschil van meening uit te maken in de wederzijdsche veronderstelling, dat er van unfairheid geen sprake is. Op deze prettige manier hebben Eddy en ik ook alle geschilpunten uit den laatsten tijd geheel opgelost.

Schrijf me dus omgaand, in welk opzicht mijn voorstelling van zaken van de jouwe afwijkt. En neem tenminste dit als vaststaand van mij aan, dat mijn vriendschappelijkheid werkelijk geheel buiten de quaestie staat.

h.gr.

je Menno

 

Ik heb Bouws zijn brief zooeven door de telefoon laten voorlezen. Afgezien van zijn formeele voorbarigheid inzake ‘Kaas’, heeft hij, dunkt me, zelfs bij den hem eigen secretarialen toon geen onjuistheid gezegd.

 

Origineel: Den Haag, Koninklijke Bibliotheek

vorige | volgende in deze correspondentie
vorige | volgende in alle correspondentie