Menno ter Braak
aan
H. Marsman

Rotterdam, 15 maart 1933

15 Maart '34

 

Beste Henny,

Wat de quaestie zelf betreft: natuurlijk in orde! Ik had eigenlijk wel gedacht, dat je het niet zoo erg meende. En practisch: stuur alles, wat je ons toedenkt, zoo gauw mogelijk!! Je hebt toch zelf ook redacteur gespeeld, en weet dus zoo goed als ik, hoe vervloekt lastig het is, om met de copy te balanceeren. Heb je het eerste fragment naar Bouws gestuurd? Ik kreeg het nog niet doorgezonden. Verder ben ik het ‘incident’ al weer geheel vergeten, of liever: ik had het nog niet eens als incident gevoeld.

Een andere kant van de zaak lijkt me de ondergrond van dit geval, je gevoel van verwaarloosd te worden. Dat is toch werkelijk een soort ‘Beziehungswahn’! Want je zou hoogstens kunnen zeggen, dat men je een eenzijdige dichterlijke begaafdheid ‘verwijt’; daarin ligt dan toch nog een zeer groot compliment. Ik b.v. vind je als dichter eenig en onherhaalbaar, je bent zelfs één van de weinige dichters, waar ik reëel om geef, in hun verzen. Dat ik je theorieën niet deel, kan je toch, dunkt me, niet hinderen; de toon van je essays is mij even sympatiek als je verzen, ik verdom het alleen, om aan je denkbeelden te gelooven, die denkbeelden wil ik zelfs wel ‘verwaarloozen’.

Maar houd je goed, ik kan me zulke depressies levendig indenken. En ga vooral door met ‘Dumay’ te 'verwaarloozen’, je hebt waarschijnlijk een zeker gelijk. Dat ‘verwaarloos’ ik n.l. weer niet; de uitvoerigheid gaat me steeds meer hinderen. Niettemin geen Robbers...

hart.

je Menno

 

Dinsdag 21 Maart Dinsdag kom ik waarschijnlijk in Utrecht, om een opvoering van ‘Ubu’ te zien, waarvoor ik een inleidinkje geschreven heb. Waarschijnlijk met Ant. Zouden we ev. een afspraak met je kunnen maken, ± 5 uur, half 6?

 

Origineel: Den Haag, Koninklijke Bibliotheek

vorige | volgende in deze correspondentie
vorige | volgende in alle correspondentie