H. Marsman
aan
Menno ter Braak

Utrecht, 28 december 1934

Utr. 28 Dec. 34

 

Beste Menno,

Dank voor je kaart; en vooral voor de onaantastbaarheid van je gevoelens die hij vooropstelt, - wat ik ook over je schrijven zou. Toch weet ik niet, of dat wel heelemaal waar kan zijn, juist tusschen vrienden. Tusschen Müller Lehning en mij is na een scherpe polemiek destijds vrij lang iets blijven hangen, en Eddie meende, dat onze krasse afwijzing wederzijdsch van Angèle en Dumay jou en mij toch wel wat tegen elkaar ‘geprikkeld’ had gemaakt. Daar kwam toen bij dat heen en weer geschrijf over de plaatsing van een fragment van Angèle in Forum, kort en goed: heelemaal zonder wrijving was het toch niet. Maar misschien vind je dat ook niets erg, vooral waar één gesprek op de Bult in staat bleek de heele hemel weer schoon te vegen. Maar een reprise van zooiets wil ik toch liever voorkomen.

Vandaar dat ik toch nogal in zit met mijn stuk, en ook Vestdijk's advies heb gevraagd, hoewel hij het stuk nog niet kent. De kwestie is dat ik het graag, niet in den laatste plaats terwille van jou, in Forum zou willen hebben; weigeren jullie het, dan wordt het een moeilijk geval, en hangt alles af van jouw intiemste reacties op het stuk, die je mij niet hoeft mee te deelen, als je maar zegt wat er de conclusie van is. Als het verschijnen van het stuk in Forum je onaangenaam is, stemt Vestdijk tegen, wat ik zeer juist vind. Vic zal dat ook wel doen. Buitendien, dan zie ik geloof ik ook maar van plaatsing elders af. Ik wil à tout prix voorkomen dat ‘de meenigte’ er iets van leedvermaak aan beleven kan, of is dan alle openbare critiek op elkaar onmogelijk?

Daar staat tegen over dat er tegenover je poezie-theorie m.i. iets anders moet gesteld worden. Vandaar dat ik eerst ook van plan was het bij weigering door Forum, elders te plaatsen. Maar waar? Dat zou ik dan ook allereerst van jou hebben laten afhangen. Misschien heeft Bloem geen volmaakt ongelijk door je een ‘smaakvol en - godbetert - kundig! poëzie criticus’ te vinden. Ik lees het Vaderland haast nooit. Las, als poezie critiek alleen dat stuk over Engelman, dat mij irriteerde, en een eindeloos doorgeduwde ‘consequentie’ leek, zonder eenige realiteit, zonder verband ook met den [dichter], laat staan met de poëzie. Over Eddie, Vestdijk (ten deele), en Salomon schreef je héél goed, over Engelman meer dan beroerd. Misschien heb ik uit dat eene stuk gecombineerd met je theorieëen van vroeger, te veel afgeleid? Ik geloof het niet: ik geloof dat het een atavisme van je is, als je zelf nog zou wijsmaken dat je voor verzen voelt. Maar goed - hier is het stuk. Schrijf mij spoedig eens wat je er van vindt, en wat je denkt over publicatie en wáár.

Kun je misschien 7, of 8, of 9 Januari met Ant bij ons komen? Logeren kàn ook, hoewel er dan een beetje geschipperd moet worden. Komen jullie dan in de loop van één van die middagen en blijf zoo je wilt en kunt. Dat hooren wij dan nog wel. Maar schrijf eerst even wat je van het artikel denkt.

hart. gr.

je H.

 

Ik heb niemand behalve Vestdijk verteld dat ik iets tegen je geschreven heb. Als wij dus tot vernietiging van het artikel besluiten blijft dus tusschen ons.

 

Origineel: Den Haag, Letterkundig Museum

vorige | volgende in deze correspondentie
vorige | volgende in alle correspondentie