Menno ter Braak
aan
H. Marsman

Den Haag, 14 januari 1937

Den Haag, 14 Jan. 1937

 

B.H.

Dank voor je kaart. Ik heb de V.U. opgebeld, maar veel nieuws konden ze me daar niet verschaffen. Volgens de juffrouw, die mij te woord stond, is het pas in Februari mogelijk om iets te zeggen over de deelname, aangezien het traditie schijnt te zijn, dat men pas op het laatste nippertje inteekent. Wacht dus nog een paar weken. Het zal me echter bepaald verbazen, als in Den Haag voor zooiets geen interesse was! Dames en snobisme: wie daar onthouding van lezingen verwacht, verwacht m.i. te veel zelftucht! Ik geloof niet, dat Het Vad. berichten van de V.U. brengt, maar ik kan ev. tegen Februari wel eens probeeren er een formule voor te vinden.

Ik heb door allerlei gedonder niet meer aan schrijven gedacht. Eerst kreeg ik zelf last van mijn oogen; kleine waarschuwing om minder te lezen en te schrijven. Nu heeft Ant sedert een week nogal ernstig griep, zoodat ik ook al gedecentraliseerd door het huis rondloop. Maar ik ben sowieso een slecht briefschrijver, en alleen de epistolaire woede van Eddy is in staat om me tot geregelde correspondentie te prikkelen. Ik moet te veel letters spuien in de krant.

Gelukkig is mijn boek ongeveer in kannen en kruiken; hierbij een overzicht van den inhoud om je nieuwsgierigheid (die, naar Greshoff mij zei, bestaat) nog wat op te jagen. Na het Carnaval is dit het eerste boek, waaraan ik, in strijd met de theorie van ‘intellectual life is child's play’, jaren heb gedacht en gewerkt. De andere boeken kwamen meer ‘vanzelf’. Vooral het probleem van het Christendom is me pas halverwege, bij hoofdstuk 5, geheel duidelijk geworden. Mocht je er te zijner tijd over schrijven, in de NRC of elders, dan moet je voor de aardigheid ook eens in mijn dissertatie kijken. Het gekke is n.l., dat alle stof, die ik daar curiositeitshalve en ‘sportief’ bewerkte, nu ineens de sleutel werd voor mijn theorie over het Christendom! Zonder mijn studie over Otto III had ik dit boek nooit kunnen schrijven. Ik verraad je dit, omdat jij ongetwijfeld een van de weinigen zult zijn, die er iets persoonlijks over in het midden zullen weten te brengen. Immers, dit boek veronderstelt Pol. z. Partij, en aangezien het gros dat al niet meer gelezen of begrepen heeft, zal de reactie op dit boek nog wel stommer zijn.

Ik beluisterde erkentelijk een nieuwen toon in je poëzie! Niet in alle verzen, maar de beste zijn uitstekend, ook dat in De Stem m.i.

Hoe maakt de mof Merz het? Zijn roman is zèèr mofsch, maar dat is voor mij één van aangenaamste kanten... bij hèm, omdat hij werkelijk vecht met die kant in zijn persoonlijkheid, wat de andere emigranten meestal nalaten.

Weet je, dat er zoojuist een brochure van de NSB is verschenen, waarin wij allen, schrijvers, aan de kaak worden gesteld als vuilschrijvers en communisten? Het ding heet ‘Sluipend Gif’ en is uiterst vermakelijk om te lezen. Jij bent de ergste vuilbek, want je hebt de homosexualiteit gepropageerd; Penthesilia wordt uitvoerig geciteerd. Ook de heeren Greshoff en Vestdijk worden ervan beschuldigd het tijdschrift Groot-Nederland, dat door ‘eerbare moeders, vaders en hun kinderen aan den haard in duizenden gezinnen gelezen wordt’, aan de ‘smeerlapperij’ over te leveren. Eddy is ‘een en al smeerlapperij’. Bij mij was geen vuil te vinden, en dus ben ik: ‘kunstredacteur van Het Vad. en spreker voor communistische kongsies’. Let op het vraagteeken.

Tot ziens, hoop ik, als je naar Holland komt. Jullie kunt hier logeeren!

hart. gr. v.h.t.h.

je Menno

 

N.B. Ook de goede Donker is een pornograaf! Hij heeft iets over ‘hemden’ gedicht.

 

Origineel: Den Haag, Koninklijke Bibliotheek

vorige | volgende in deze correspondentie
vorige | volgende in alle correspondentie