Menno ter Braak
aan
H. Marsman

Den Haag, 21 februari 1938

Den Haag, 21 Febr. '38

 

Beste Henny

Vandaag je stuk ontvangen en direct met gespannen aandacht uitgelezen. Hier en daar heb ik een notitie gemaakt, maar over het algemeen kan ik niet anders doen dan je formuleeringen onderschrijven... soms niet geheel navoelen natuurlijk. Ik behoef je wel niet te zeggen, dat ik het een uitstekend stuk vind; hier en daar is het wat te ‘gecompliceerd’ van schriftuur, maar op sommige pagina's (over Nietzsche b.v.) ook bepaald geïnspireerd. Dat de lezer misschien den indruk van ‘een gemankeerden Nietzsche’ het sterkst zal overhouden, bewijst niets tegen je; want deze kant spreekt voor jou uiteraard het sterkst. Het ‘ontragische’ is inderdaad tot dusverre een overheerschend element in mijn stijl; het zou kunnen zijn, dat dat anders werd in mijn volgende boek, al kan ik dat zelf niet zeggen natuurlijk. Het ligt in mijn karakter het tragische zoo lang mogelijk te ontkennen; daarom nadert het des te onverbiddelijker. De roman, die in mijn hoofd zit, zal een boek over den dood zijn, maar ik kan er nog niet aan beginnen. Het boekje over Luther, dat je naar ik hoop ontvangen hebt, is evenals ‘Mephistophelisch’ een ‘uitlooper’ van de ‘Christenen’ (‘Mephisto’ deels ook van ‘Pol. z. Partij’).

Ik heb, afgezien van kleine detailbezwaren die ik aan den rand schreef en sommige onvermijdelijke andere ‘gevoelsinstellingen’, eigenlijk alleen een onjuistheid gevoeld in wat je schrijft over de ‘Christenen’. P.53 noem je de ‘ontdekking’ van dit boek een afleiding van Nietzsche's ressentimentstheorie. Ik erken, dat het ressentiment in mijn boek een rol speelt, en dat Nietzsche daaraan niet vreemd is, maar voor mijn eigen gevoel ligt daar niet het zwaartepunt. Het zwaartepunt, de echte ‘ontdekking’ is het machiavellisme van Augustinus. Dat is dus, paradoxaal gezegd, juist de ongelijkheid van het Christendom naar voren gebracht, en niet, zooals bij Nietzsche, de slavenmoraal, de ‘Gleichheit der Seelen vor Gott’. Ik neem die gelijkheid wel in mijn beschouwing op, maar verleg het accent naar de weerstanden, die in de staatsleer van Augustinus in theorie worden geharmoniseerd met de oorspronkelijke gelijkheidstendentie, zoodat in het kader van den naam Christendom alles mogelijk wordt van Borgia tot Franciscus, van Luther tot Thomas Münzer. Alles: maar steeds onder het aspect van de gelijkheid als correctief. Voor mij is dat de ‘originaliteit’ van het boek, waarop je niet de nadruk legt. I.p.v. Nietzsches invloed werkt hier die van den historicus Bernheim, die dit probleem echter zuiver vaktechnisch-historisch heeft behandeld. Dit is mijn eenige serieuze bezwaar.

Verder: ik heb telkens uitstekende dingen gevonden, waaraan ik mijn eigen ervaringen kon toetsen. Het ‘Carnaval’ heb je volkomen ‘erschöpft’; ‘Politicus’ is iets zwevender, maar ook meer in den toon van de ontmoeting. Dat je mijn slotconclusies van de ‘Christenen’ wat al te veel absoluteert, is je goed recht, omdat het mijn laatste boek is. Het tegendeel zal ik alleen door een dialectischen ‘omslag’ in een volgend boek kunnen bewijzen.

Speciaal plezier deed me dat je je (juist als ‘dichter’) zoo ruiterlijk achter me schaart in die belachelijke Vondelquaestie.

Tot nader. Ik stuur je het stuk binnenkort terug. Wanneer verschijnt het?

Veel hartelijks v.h.t.h.

je Menno

 

Origineel: Den Haag, Koninklijke Bibliotheek

vorige | volgende in deze correspondentie
vorige | volgende in alle correspondentie