Menno ter Braak
aan
D.A.M. Binnendijk [Zutphen]

Den Haag, 18 juli 1924

Haag 18.VII.24.

Irisstr. 10

 

Beste Dirk

Dank voor je hedenmorgen ontvangen brief. Verneem allereerst de anecdotische bijsmaak van mijn verblijf alhier. Twee dagen na mijn komst werd de Kon. Bibliotheek, voor welks doorgraving ik officialiter hier ben, wegens ‘schoonmaak’ gesloten, precies tot den datum, dat ik weer afreis. Tableau. Met abnormalen ijver vloog ik dus naar de wetenschap en sleepte een macht boeken naar de Irisstraat, vervaardigde tevens nog juist een akelig uitgebreid litteratuur overzicht. Het aantal mijner ‘voornaamste tegenstanders’ op Ottorisch terrein wordt steeds grooter. Maar veel tijd slijt ik nu in Scheveningen, waar bijgaande aphorismen, o wanproduct van een lummelenden geest, uitgebroed werden bij het kijken naar en door de vele schoone vrouwen.

Schrijf vooral voor het Vacantienummer over J. Israël de Haan! Er was nog haast geen copie ter Clausenarij. En het moet een intellectueel nummer worden. Je vers is al gezet; misschien kan ik de proef mee naar Zutfen nemen, dan kun je die zelf corrigeren.

Ook tot mij richtte zich onze vriendin Jo Hoff met een ‘bede’ (in den middeleeuwsch concreten zin). Wat heeft zij in haar laatste ‘banio’ uitgevoerd? Enfin, Parijs is zooals de heer Campert mij schrijft, voor haar ‘de weg naar de hel’. De brief bevatte n.l. Jan's adres als bodemhooge put voor de vele binnenvloeiende gelden. Ik was dus zoo vrij bij hem te informeeren, wat de combinatie Vorstman C Alberts C Hoff in de ‘rotte radijs’ wou gaan uitvoeren. Voorts schreef ik hem, dat, als hij mij borg stond, dat deze oplossing voor Jo de juiste was, ik de ƒ 10 wel uit mijn armoede, die nu zeer groot is, wou bijeenschrapen. Maar deze Pilatus antwoordde, dat hij zijn handen totaal in onschuld wiesch, gebruikte zelfs de sombere uitdrukking ‘weg naar de hel’. Ik heb nu besloten in dezen eens gierig te zijn; want voor dergelijke waanzin, weer met dezelfde naieveteit aangegrepen, sluit ik nu eindelijk hart en vestjeszak. Marinus Snoek lijkt me voor dusdanige fondsen meer de aangewezen man. Ik heb haar nu ‘door’, al is mijn medelijden groot. Waarschuwen is bij haar niets anders, dan een illusie in de war brengen.

Den Priktol bezocht ik hier in zijn voorvaderlijke woning, waar hij juist bezig was melk te drinken uit een jubileumbeker. Hij heeft mij overigens nauwkeurig uiteengezet, waar je met Mies Veegens naar toe kunt gaan, waar je ‘scharrels’ kunt opdoen en waar je niet met gewoon-fatsoenlijke meisjes, maar wel ‘met je aanstaande, met wie je toch wel over “zulke” dingen spreekt’ kunt binnentreden. Morgenavond krijgen we hier Jan Walch en echtgenoote ter thee; ik hoop het gesprek op ‘Het Leven van een Heilige’ te kunnen brengen.

Vrijdag 25 ga ik van hier naar A'dam. Is het dan schikkend dat ik Zaterdagmiddag 26 in Zutfen kom en in den loop des Zondags weer vertrek? Ik zal niet langer kunnen blijven, omdat ik noodig wordt geacht oom Nico in Eibergen bezig te houden. C Trekpleisters ontbreken nog, of de Kon. Bibliotheek moest als zoodanig gelden.

Jan C. informeerde bij mij naar de juistheid van hem ter oore gekomen geruchten over jou en Magdalena. Ik meende, dat ik zonder onbescheiden te zijn, hem wel kort kon meedeelen, hoe de zaak (uiterlijk) in elkaar zit. Overigens was hij verbaasd, dat je hem niet had geantwoord.

Ik hoor nog wel iets over mijn reisplan?

Mijn meest hart. gr.

Menno

 

Origineel: Den Haag, Letterkundig Museum

vorige | volgende in deze correspondentie
vorige | volgende in alle correspondentie