Menno ter Braak
aan
D.A.M. Binnendijk [Amsterdam]

Eibergen, 16 juni 1926

Eibergen, 16.VI.'26

 

Liever geen aanspreektitels, noch zwijn noch frater. Beide op zijn tijd (helaas, het groote ledige). Hartelijke dank voor je brief, die juist gekruist heeft met een exclamatie mijnerzijds per briefkaart. Ik haast me dus die te achterhalen. - Je wijze woorden kwamen me weer herinneren aan het Zutfensch bacchanaal, waarover ik achteraf eenige katers heb hooren miauwen. Niet om het geval zelf of het object zelf (g.b.m.), maar om de vunzigheid, die koning Alcohol toch blijkbaar zonder eenige moeite uit mijn verfijnde complexie weet te voorschijn te brengen. Zijn we dan allemaal toch bestemd om, al gemoedelijk hemelwaarts jammerend, den weg der generatie-Pom etc. op te gaan? Ik wensch het toch voorloopig nog te verdommen. - Kon ik maar kiezen! D.w.z. niet alleen in den geest, wat ik al lang gedaan heb, maar ook handelend. Je begrijpt, hoe beroerd hier de situatie soms kan zijn. Zondag waren Jo en ik een oogenblik buiten het bereik des echtgenootelijken oogs; we waren samen in Goor bij de ‘Joseph in Dothan’, opgevoerd door menschen van het Schouwtooneel. Maar ook hier weer: familieleden, kennissen. God heeft het niet best met ons voor, mon cher! Jij gaat tenminste nog logeeren, Montigny-waarts, Bretagne. Ik zie niets van dat alles in het vooruitzicht, alleen het tentamen, dat me al stierlijk begint te vervelen. Ik heb er echter een voorgevoel van, dat Stoett verhinderd zal zijn het voor de vacantie af te nemen (hangt misschien daarmee samen, dat jij geen bericht van hem krijgt?). Dan heb ik al dit gerepeteer bovendien nog voor niets gedaan, omdat ik dan in Sept. toch wéér kan gaan repeteeren. -

Nu de V.Bl. niet betalen, kan ik mijn verdere vacantielusten wel ten eenenmale gaan inzouten. Er wordt hier überhaupt zeer gejammerd op het stuk van financiën; zoo gauw mogelijk onafhankelijk worden etc. Alles goed en wel; maar ik zou liever wat anders doen. Gelukkig heb ik van de ‘Telegraaf’ nog ƒ 20 ontvangen. Laat gauw eens hooren, als de keuze voor Emmy beslist is; ik kan haar nu onmogelijk entrefiletjes leveren tusschen deze droogklooierij van Satzen en Francken door. Doe haar, als je haar spreekt, mijn beste groeten. - Van Pop vernam ik taal noch teeken. Ik begin overigens wel aan haar raadselen gewend te raken en vermoedelijk zal er wel een mij totaal onbekend ‘misverstand’ gerezen zijn. Waar? Hoe? Wanneer? Femina semper tacet...

Tusschen het werk kano ik een weinig; las de ‘Nocturne’ van Swinnerton uit, die wel goed is, lees verder essays van Brandes (o.a., een uitstekend over Flaubert!) en begon gisteren aan ‘Le Songe’. Zag tevens, dat ‘de Gemeenschap’ mijn ingezonden stuk nog in dit nummer opnam en het met een zeer tamme en theologische commentaar voorzag. Maar we zijn nu inderdaad volkomen uitgepraat. Dit is een antwoord. Ik heb daar als pagaan niets meer op te zeggen. - Dank ook voor het stuk uit de Nieuwe Eeuw.

Laat nog eens gauw iets van je hooren. Ben je eind Juni nog in stad, als ik, behoudens onvoorziene omstandigheden, ook daar zal zijn?

Hou je goed.

Poot, mijn zegen

Menno

 

Origineel: Den Haag, Letterkundig Museum

vorige | volgende in deze correspondentie
vorige | volgende in alle correspondentie