Menno ter Braak
aan
D.A.M. Binnendijk [Zutphen]

Eibergen, 17 december 1926

Eibergen, den 17.XII 1926

 

Beste Dirk,

Aangezien één het initiatief moet nemen, zal ik je kostelijk even de laatste feiten des overigens onbelangrijken levens alhier opschrijven, in de hoop nu spoedig ook iets van jou te hooren, je laatste dagen in A’dam etc. Je bent nu zeker weer in ouderlijke armen teruggekeerd; de oudelui verheugden er zich zeer op, kon ik bij mijn bezoek merken. (Natuurlijk heb ik het incident-Stoett in de teederste kleuren afgeschilderd.) Onze laatste blik aan de W.P. werd eenigermate vertroebeld door de schichtige figuur van Erich, die hijgend in de coupé stortte en wien ik nog maar weer één van die ronde dingen heb ‘geleend’. Het gelukte hem desalniettemin nog ijlings een bourgeois-epateerend verhaal over lupanaria in Amerika te doen. In Utrecht verdween hij naar zijn doeken, hoofdschuddend door het gezelschap nagestaard.

Tiel leverde de gewenschte resultaten op; een credietbrief werd op het eerwaardig hoofd van bovengedrukte vastgezet, benevens  25 extra ‘losgemaakt’, voor het doctoraal. Nu ben ik weer sedert eenige dagen in Eibergen en verslind met grooten hartstocht Spengler. Ze mogen zeggen wat ze willen, maar het is een enorm stylist en een kranig denker, al ben ik het met zijn beroemde morphologie ten eenenmale oneens. Verder echter vind ik dingen, die bijna letterlijk in mijn Opium- en Ondergangstukken staan, wat niet voor S., maar wel voor mij beroerd is, omdat ik de latere ben. Laten we dit dus maar op rekening van de ‘faustische Seele’ schrijven, die ook in mij zoo’n klein pietsie spokende is.

Jo heb ik nog niet weergezien; ze schreef me per briefkaart, of ik a.s. Maandag kwam. Dus dan ga ik weer, om op de bekende half gelukkige, half pest-in-hebbende wijze terug te karren door dit verrotte nachtelijk duister, dat nu al om drie uur aanvangt. Ik voel de noodzakelijkheid van het geheele en... etc., we hebben er al zóó vaak over gesproken, dat een litanie geen zin meer heeft. Het kan niet eenvoudig. Deze kant van de zaak werd gisteren nog eens urgent door een brief van Hansje, met een elegant adresboekje in leer voor Berlijn als een souvenir aan j.l. Zaterdag. Uit de brief merkte ik wel, hoe het eigenlijk ‘zat’. Ik heb nu een lang en zoo eerlijk mogelijk epistel teruggeschreven, alles geexpliceerd, mezelf zoo zwart en intellectualistisch mogelijk voorgesteld. De goden weten, hoe ze het zal opvatten en het gaat me erg ter harte. Zou het eigenlijk maar niet goed geweest zijn, als ik dit eens gewaagd had? Maar het lijkt me een misdaad, waarachtig, dat is het beste woord. Overigens, aan Pieterse zou ik haar niet gunnen; maar je hebt kans, dat mijn brief haar in die richting drijft. In godsnaam, het kan toch ook niet goed zijn, bewust een eenzijdigheid uit te kiezen. Schwamm drüber. -

Gisteren schreef ik v. Looy nog eens om geld. Hoe ging het bij Querido en hoe is de zaak van de laatste v. Looy-nummers opgelost? - Kijk als je wilt ook eens in de Leeszaal of Dirk van-de-Stem voor de volgende jaargang soms mijn stuk aankondigt; ik heb hem een proef gevraagd voor mijn vertrek naar Berlijn. -

Laten we voorloopig afspreken, dat je 27 Dec. hier komt tot en met 30. Op 29 of 30 is de beroemde boerenuitvoering, die je dus nu zeker meemaakt. - Het zal een verandering zijn, na de vacantie, eigenlijk zeer bedenkelijk!

Een hart. poot van je

Menno

Groeten aan en van wederzijdsche familie. Wim kwam vandaag ook aan en is zeer humoristisch.

 

Origineel: Den Haag Letterkundig Museum

vorige | volgende in deze correspondentie
vorige | volgende in alle correspondentie