D.A.M. Binnendijk
aan
Menno ter Braak [Berlijn]

Amsterdam, 18 februari 1927

Amsterdam, 18 feb.-

 

Beste Menno.

Alleen achtergelaten - overigens zeer aangenaam in dit geval: het beteekent lijntrekken - door Arntzenius en Jobs, kan ik eindelijk na een week zwaar werken eens rustig aan je schrijven. Ik ontving je Anita Berber-kaart. God geef ze de ruimte!

Verder - om te beginnen - heb ik gisteravond bij Arthur je boodschap overgebracht, en Fritz Picard ontmoet, die tot Maandag bij hem logeert: een aardige vent, lijkt me. Hij neemt persoonlijke groeten mee voor jou.

Het is goed, dat ik het druk heb, want ik mis je erg. Kom, als je terugbent, weer hier wonen, kerel. Ik heb soms werkelijk heimwee naar den ouden tijd van samen studeeren, psychologiseeren en fuiven.

Sinds ik het fuifje in Leiden, veertien dagen geleden, bijwoonde, is er weer veel gebeurd. Primo: heb ik het met Ella afgemaakt. De proefneming lukte mijnerzijds absoluut niet. Het is geëindigd met een romantische nachtelijke scène. Over al die dingen praten we wel, als je weer in het land bent.

Hoe is het met Jo? Van dat geval ‘andere’ heb ik erg opgekeken. Ik geloof graag, dat het zeer gecompliceerd is en het zal dus gevoegd worden bij de vele onderwerpen die op mondelinge behandeling wachten. Het is inderdaad om gek te worden, als je niet kunt schrijven.

Ik heb intusschen niet stil gezeten. Kan ik ooit, in zaken de vrouwen, stil zitten? Er is voor zoover er tijd voor is (gestolen nachtrust!), een heftige vrijage ontstaan tusschen het meergenoemde nichtje en ondergeteekende, een zwijn van een vent.

Maar achter, door en in alles houd ik alleen maar van Emmy die ik vaak zie, te vaak eigenlijk, om ooit iets hardnekkig door te zetten. Het is zelfs momenteel weer inniger dan ooit. 't Is soms niet om uittehouden! -

Eergisteren heeft Lieber zijn kind aangegeven. Je hebt zeker het stuk van Jobs, dat zeer juist de volle maat gaf van wat er goed in was, wel gelezen. Marietje Hamel was werkelijk prachtig. Dinsdag een kroniek geschreven over Donker. Verleden week schreef ik Stoett, of ik eens een avond bij hem mocht komen praten over studie etc. Nog steeds geen antwoord! Dat maakt me ietwat ongerust. - Ik werk zooveel mogelijk voor dat tentamen, intusschen: Middelned. Bloemlezing grondig doorgewerkt, phonetiek, en op het oogenblik bezig aan Marnix. -

- Arthur maakt het niet erg goed. Die neus is wel in orde, maar hij voelt zich slap en zal daardoor onder behandeling moeten van een zenuwspecialist (de broer van Joris Ivens). I 10 verschijnt volgende week. Ziet er goed uit. Vrije Bladen II wel veel minder dan I, maar III weer iets beter: o.a. een essay van den ‘wel intelligenten’ heer Van Loon over Gide...

Misschien houd ik binnenkort een lezing over moderne dichters in Den Haag met Van Dalsum. Hoe ik tegenwoordig voor alles tijd heb en niet gek word, begrijp ik niet, maar, dat is zeker, een baantje heeft in dit opzicht een gunstige uitwerking. Alleen 's middags heb ik met dit lenteachtige weer wel eens jeuk tusschen de beenen... Als Stoett me gaat pesten, neem ik absoluut na Maart mijn ontslag, en studeer af. Dan heb ik bovendien nog het genot van een langen zomervacantie, welker derving een vreeselijk vooruitzicht voor me is.

Heb je Valeska nog gesproken? Vraag haar eens, of ze die kroniek van me heeft ontvangen.

Nu, beste kerel, schrijf gauw en veel; voor zoover de onderwerpen niet te gecompliceerd en te subtiel zijn, valt er toch nog wel wat te vertellen.

Een stevige poot van

je Dirk

 

Hansje nog niet gezien.

 

Origineel: Den Haag, Letterkundig Museum

vorige | volgende in deze correspondentie
vorige | volgende in alle correspondentie