Menno ter Braak
aan
D.A.M. Binnendijk (Amsterdam)

Berlijn, 25 maart 1927

Berlijn den 25.III 1927

 

Beste Dirk.

Nog een laatste brief voor ik je persoonlijk weerzie. Nogmaals, het wordt tijd! Uit je laatste ervaringen bleek me, dat de tijd niet alleen de beroerdste erfzonde, maar ook de vlugste passant is; mijn God, wat is er weer veel gebeurd, waarover we nog geen woord gewisseld hebben. Laten we het nu ook uitstellen tot mondeling; 5 april reis ik naar Eibergen terug, moet dan in een paar dagen mijn lezing voor 22 in elkaar draaien en kom dan zoo gauw mogelijk naar Mokum. Blijf je aan de Telegraaf, of zie ik je weer als vrij man? Hoe zit het? Laat je anders als correspondent ter filmconferentie afvaardigen, dan hebben we in Arnhem een mooie reüniegelegenheid. Verleden jaar stonden er althans verslagen in de courant. Vandaag bracht de film me het winstje van ƒ 32, hon. van I 10. Is jou ook ter oore gekomen, dat Arthur door de geheimzinnige factor ‘Rusland’ betaald zou worden? Hoe het ook zij, ik inde guldens en geen kopeken.

Ik geloof, dat onze levens in de afgeloopen maanden heel verschillend op ‘het’ leven opereerden; althans ik was erotisch weinig beschäftigt, daarentegen des te meer sceptisch. Ik leerde de zonderlingste lieden kennen, physiologen, kunsthistorici, garçonnes, journalisten, ambtenaren, god weet wat. Mijn studie over genialiteit en schoonheid heb ik nu ongeveer in het hoofdvat uitgedacht, de tijd, om te schrijven, moet nu nog komen; veel klein werk heb ik hier wel gedaan, maar voor grooter ontbrak me de concentratie. Im grossen und ganzen: ik ben geestelijk niet veranderd, voorzoover ik weet. Er is niets gebeurd, dat in beteekenis vergeleken kan worden bij mijn ontmoeting met Jo. Deze week kreeg ik twee brieven van haar, maar we wachten beide op de terugkomst. Beide hebben we de neiging, al schrijven we fervent, om meer in brieven te verhullen dan te openbaren, zoodat ik met jou ook liever na mijn eerste bezoek aan Neede over dit alles praat. - De vorige week knipte, eindelijk, Jo haar haar af; ik ben uiterst nieuwsgierig te zien hoe het haar staat, zij is er zelf rebellisch over. Mijn moeder had er een zeer zuinige opmerking over!

Hasenclever was witzig, satyrisch, geestig; maar, als altijd bij hem, zijn tooneelfiguren zijn weinig levend, programma’s, hasenkleverig. Ik zag den man zelf ten tooneele gesleept, een leelijk ventje in een keurig colbert.

Weet je wat de ‘Groene’ mij offreerde voor mijn eerste artikel? ƒ 10, tien gulden; de rekening, die ik gezonden had, werd genegeerd! Ik ben woedend op deze kale schoften, zend den fluim Kann ook geen droppel copy meer. Waarschijnlijk krijg ik bij reclame het geld wel binnen; maar ik vind de geste meer dan erg! Dan is Querido beter; die betaalt precies, wat je toekomt. Bovendien is de heer van Dam blijkbaar niet veel over te laten; in een opschrift onder een portret maakt hij spelfouten!

Donderdag en Vrijdag ben ik dus bij Moholy, in het Bauhaus. Kun je me nog een ‘Erts’ sturen, of wordt het te laat? - Proef van Anat. Les kreeg ik.

Laat ik nu niet verder delireeren, ik ben bovendien moe van het werk vandaag.

Kerel, tot ziens, hou je goed,

een poot van je

Menno

 

Origineel: Den Haag, Letterkundig Museum

vorige | volgende in deze correspondentie
vorige | volgende in alle correspondentie