Menno ter Braak
aan
D.A.M. Binnendijk (Zutphen )

Eibergen, 11 maart 1928

Eibergen den 11 III 1928

 

Beste Dirk.

(Aangezien ik juist een uur met potlood op de bekende wijze aan de diss. heb geschreven, antwoord ik ook maar even getikt.) Het vergaat mij sinds Dinsdag zoo-zoo. Ik ben niet bezweken, kan dat ook niet, daar ik Th. niet meer wil zien; van zooiets krijg je eens genoeg. Wel heb ik Jo opgebeld; we hebben n.l. juist hier telefoon gekregen; noteer het nummer 16, voor eventualiteiten! Ik heb haar nu alleen langs een draad gehoord; misschien zie ik haar deze week in A’dam. Ik heb mijn wil overigens uitgeschakeld; zij weet, dat ik in de stad ben; verder laat ik alles nu maar aan haar over.

Wat het belangrijkste deel van je brief betreft: ik dank je voor het vertrouwen, dat je hierdoor weer laat blijken! Natuurlijk had ik ‘iets’ gemerkt: maar de begrenzing van de verhouding niet. Ik kan voorloopig je gelukkig prijzen: ten eerste, omdat ik E. in den laatsten tijd hoe langer hoe meer ben gaan apprecieeren, zoodat ik zonder meer de richting van je gevoel begrijp; ten tweede, omdat ik mezelf ongelukkig prijs, dat ik geen redelijke oplossing voor mijn eigen dilemma kan vinden. Een dubbel leven is geloof ik het eenigste, wat er voor mij opzit, en daarvoor zou ik toch al weer een bijzondere evenredigheid moeten vinden.

Het spreekt vanzelf, dat ik niets aan wie ook laat doorschemeren! Daar kun je natuurlijk van opaan! Het is mijn plan a.s. Woensdag (ook met het oog op bovenstaande!) naar de stad terug te gaan; laten we dan afspreken, dat ik Woensdag van trein 12.10 tot ’s avonds in Zutfen overblijf. Zonder tegenbericht van jouw kant reken ik er dus op Woensdag je aan den trein te zien! We kunnen den middag dan aan de dialoog wijden.

Het ‘afscheid’ was inderdaad fraai! Ik zag je een vage omtrekkende beweging maken, die tenslotte weer tegen het ‘groene hoedje’ strandde, maar verder kon ik de manoeuvre helaas niet meer volgen.

Het geval met Tops is minder erg, dan het zich eerst liet aanzien; het kind zal er zelfs nog wel bij blijven leven. Ik ontving een briefje van haar; ze had het overigens zwaar te verantwoorden gehad; tweemaal in een ziekenauto e.d. grapjes.

Heb je gezien, dat je door A.M. de Jong in het Volk tegen de Dood wordt uitgespeeld? Litt. Kroniek, jezuïtisch sdapisme. Om te laten zien, dat hij geen vriendjes protegeert, vindt hij de Dood slecht,... maar toch achteraf weer geweldig goed. Een vermaak. De litteratuur zie ik hier verder niet, nauwelijks de liga. Gelukkig is Wim ook hier, die al een deel van zijn semi met groot succes wederom heeft gedaan.

Tegen de oudelieden heb ik nog geen woord laten vallen over mijn wegblijven in Neede. Ik zwijg maar, ben bang te veel los te laten. Het is overigens vaak beklemmend en eenzaam.

Houd je goed! Zonder bericht dus tot Woensdag!

hart. poot

je

Menno

 

De brief voor Jo heb ik onder zeker motto door mijn moeder laten bezorgen!

 

Origineel: Den Haag, Letterkundig Museum

vorige | volgende in deze correspondentie
vorige | volgende in alle correspondentie