D.A.M. Binnendijk
aan
Menno ter Braak (Tiel)

Baarn, [10 juni 1929]

Baarn: Maandag

 

Beste Menno, -

Beiden door ons beiden van harte gelukgewenscht met het geestelijk succes. Hoe staan de huwelijksche zaken nu verder; ik weet niets. Al in Zeist geweest en in Eibergen? en hoe waren de - ongetwijfeld schichtige - reacties? Uitermate benieuwd. En helaas: die belangstelling zal je a.s. Zaterdag niet kunnen bevredigen: wij zijn dan juist uit de ‘stad’ en in Zutfen. De week daarna? Ons best. Maar schrijf alvast eens iets.

Ook over je sollicitaties: werd R'dam nu iets definitiefs? En hoe gingen de eindexamens? Verdomme, kerel, niet zoo opgeslorpt door de liefde! Open oog houden voor de ‘wereld’ en de ‘burgers’. Het Carnaval der laatsten af? Al een fragment persklaar?

Je hebt misschien gezien of gehoord hoe ik stront heb met Uyldert en hoe - maar dat las ik zelf ook nog niet - Coster een ‘Storm over Europa’ (o, aestheteling en lijder aan titelsnot) - tegen mij ontketende in de laatste ‘Stem’. Het Handelsblad wenscht mij niet in zijn kolommen toe te laten ter rechtvaardiging en - tegelijkertijd - tot ontkleeding-op-hemdsdikte van zijnen redacteur U.

Gisteren waren Emmy en Willem hier, heden Valentijn Edgar, en zoo houden wij, genietend van de ‘natuur’ en de rust, levendig contact met de cultureele phaenomenen!

Wat een volslagen benauwd en machteloos grootsprakig stuk van Kuyle aan jou in ‘De Gemeenschap’. Zonderlinge logica bezitten ‘die Roomschen’ toch.

Gauw een epistel verwachtend,

hart. groeten voor jullie samen,

je Enny en

Dick

 

Origineel: Den Haag, Letterkundig Museum

vorige | volgende in deze correspondentie
vorige | volgende in alle correspondentie