Menno ter Braak
aan
D.A.M. Binnendijk

Rotterdam, 14 februari 1931

R'dam, 14 Febr. 1931

 

Beste Dirk

Dank voor de toezending van de proef van je contra-artikel! Ik kan het er natuurlijk niet mee eens zijn, al vind ik je manier van repliceeren zeer juist en scherp van toon. Ik had je per brief ook willen antwoorden, maar het artikel zit nu al zoo stikvol onder de commentaren, dat ik er beter een stuk van kan maken. Maar ik zal dat alleen doen, als de Vrije Bladen van Maart het kunnen plaatsen; in een ander tijdschrift wil ik het in geen geval zetten, omdat het geen polemiek tusschen menschen is, die elkaar ook maar een oogenblik van kwade trouw verdenken. Het onderwerp lijkt me echter, vooral nu het van de aanleiding geabstraheerd is, interessant genoeg, om ad fundum uitgevochten te worden. Mijn bezwaren zijn n.l. niet van detail-aard, maar betreffen je methode van redeneeren en formuleeren; ik zal je zelfs moeten verwijten, dat je het Carnaval niet (naar mijn bedoelingen tenminste) begrepen hebt, getuige je vergelijking met Havelaar, die al door pag. 236-’39, 246-’47 ten eenenmale wordt ontkracht. Maar genoeg, de zaak is een artikel waard. Persoonlijk neem ik je alleen een beetje kwalijk, dat je het Carnaval met Prometheus vergelijkt (de verwantschap stel je zeer terecht vast), terwijl je, meen ik, Prometheus niet gelezen hebt. Maar ik kan me vergissen, het is trouwens maar een miniem onderdeeltje van je betoog en op oorspronkelijkheid (waarover in het stuk nader) in den zin, dien jij er aan hecht, maak ik ook geen oogenblik aanspraak. Schrijf me nog even, liefst zoo gauw mogelijk, of er voor een dupliek (die dus niet terug zal komen op Prisma) plaats is!

Ik was inderdaad hevig aan het griepen, maar na een week thuisblijvens ben ik er weer boven op.

Je opinie over Du Perron kan ik niet deelen, daar ik den man zelf heb leeren kennen en persé weet, dat geen querulantisme hem tegen je werk in het harnas jaagt. Maar ik zou geen ontijdige ontmoetingen willen forceeren. Dat hij van alles tegen heeft op je werk, kun je toch ook moeilijk aan persoonlijke antipathie toeschrijven, daar hij je nooit gesproken heeft. Ik heb niets gelezen van wat hij tegen je in het geweer heeft gebracht, maar ik wil, aannemend, dat hij zich in details vergist, volhouden, dat de bedoeling van een ignobele campagne nooit bij hem voorgezeten kan hebben. Hij is een man met een rare dorst naar helderheid, iemand, in consciëntie totaal van ons verschillend, die ik toch zeer apprecieer om zijn onbevooroordeeldheid. Dat hier een gemeenschappelijke afkeer van de ‘creativiteit’ en de ‘poésie pure’ mee van invloed is, ontken ik niet, maar ik zou om die reden toch nooit persoonlijke relaties met hem onderhouden. Dat je pertinent (ik zeg niet: nu dadelijk) ongenegen bent, hem te ontmoeten, begrijp ik niet goed van je; misschien heeft het geen zin, dat is wat anders.

Blijft de school bevallen? Hier gaat het zijn gewone gang. ‘Hampton Court’ is op drie of vier bladzijden na af; ik hoop op morgen. Vandaag ben ik (voor Nederland!) ondertrouwd, hang dus aan het stadhuis in den wind der onopgemerkte publiciteit.

Als het boek af is, kom ik binnenkort aanwaaien, schrijf nog wel vooruit. Laat mij nog even iets hooren over het artikel!

Hart. gr. ook voor Enny en een hart. hand van

je

Menno

 

Eergisteren was ik in Voorburg. De promotie van Bep is een lijdensgeschiedenis!

 

Origineel: Den Haag, Letterkundig Museum

vorige | volgende in deze correspondentie
vorige | volgende in alle correspondentie