D.A.M. Binnendijk
aan
Menno ter Braak [Rotterdam]

Amsterdam, 1 oktober 1931

Amsterdam: 1 – X – '31

 

De nadere verklaring, die je in je brief probeert te geven, wentelt handig de schuld op mij: immers, vriendschap te verwarren met een derderangskwestie geeft blijk van stompzinnigheid, althans van onbeschrijflijke kleinzieligheid. De zaak is anders: ik wensch van een vriend vriendschap en vriendschappelijkheid ten allen tijde en in alle gevallen. Ook in derderangstijdschriftenkwesties. De beteekenis van je vriendschap ligt juist niet waar jij haar naar verbant, n.l. naar zekere groote of ruime gebieden, maar zij ligt overal waar zij zich kan toonen. Zeker, de kwestie van een tijdschrift is van geen waarde. Jouw houding daarentegen is hier van evenveel waarde als waar ook.

Dat ik het niet noodig vond mij te documenteeren, vindt zijn oorzaak in Henny's ‘correctie’, die naar mijn gevoel geen ‘verbetering’ is. Ik weet van hem precies, hoe de vork in den steel zit. En verder verkoos jij te zwijgen, ook daar waar je had kunnen spreken.

Ik raad je dus aan mijn brief te herlezen. Je zult dan gewaar worden, dat ik allerminst twee dingen heb verward; alleen maar onder vriendschap iets anders versta dan jij. - Of die houding uit ambitie is voortgesproten gaat mij niet aan; daarover heb ik mij ook niet uitgelaten.

Ik had geen antwoord van je verwacht, maar gehoopt, dat je een afscheid van een fictie zonder verdraaiing der feiten en gevoelens zou hebben geaccepteerd en zelfs toegejuicht. Maak je zelf niet wijs, dat mijn vriendschap den laatsten tijd nog iets wezenlijks voor je beteekende.

Dirk

 

Origineel: Den Haag, Letterkundig Museum

vorige | volgende in deze correspondentie
vorige | volgende in alle correspondentie