Menno ter Braak
aan
Nijgh & Van Ditmar N.V.

Den Haag, 11 juli 1935

den Haag, 11 Juli 1935

Pomonaplein 22

 

Beste Zijlstra

Het spijt me, dat ik je, na ontvangst van je sympathieke brief, die ik zeer op prijs stel, op nieuwe mogelijkheden moet voorbereiden, die de heele Forum-quaestie nog extra compliceeren. Wat ik je daarover schrijf, moet voorloopig strikt onder ons blijven; als de spraakmakende gemeente er kennis van neemt, wordt de vertroebeling nog grooter. Het is echter voor de beoordeeling van den stand van zaken volstrekt noodig, dat ik je erover schrijf. Je wilt dit dus vooral wel als vertrouwelijk beschouwen?

Er is n.l. een scherp conflict ontstaan tusschen Du Perron eenerzijds en Vestdijk anderzijds, over de houding van Vestdijk inzake het geval Marsman en de Maatschappij, die door Du Perron wordt veroordeeld; in dezen staat Greshoff, voorzoover mij bekend, geheel aan zijn kant. Zij zijn van meening, dat Vestdijk had moeten bedanken voor het lidmaatschap der Mij. en het gevolg is, dat zij niets meer willen te maken hebben met een tijdschrift, waarvan Vestdijk de redactie heeft. Voorts is Du Perron zoo verontwaardigd over de quaestie Virginia, dat hij, ook nu ik erom aftreed als redacteur aan het eind van den jaargang, op medewerking geen prijs meer stelt, als het stuk niet wordt geplaatst. Over deze quaestie heeft zich, nadat ik mijn brief aan jou verzonden had, een heele correspondentie tusschen Du Perron en mij ontwikkeld, die tot vrij scherpe uiteenzettingen tusschen ons aanleiding heeft gegeven en nog niet beëindigd is; maar zooveel is mijn gebleken, dat Forum in 1936 onder de voorwaarden door mij gedacht noch op de medewerking van Du Perron noch op die Greshoff zou kunnen rekenen.

Mijn standpunt is niet dat van Du. P. en Gr., in dit speciale geval; maar ik acht (en ik vermoed dat je dat met mij eens zult zijn) een Forum zonder hun (al is het maar moreele) steun onmogelijk, vooral waar wij nu Slauerhoff ook al verloren hebben. Ik durf je daarom niet meer adviseeren, wat ik je in mijn vorigen brief adviseerde, nu ik van dit alles kennis heb genomen; mijn plezier in medewerking zou verdwenen zijn, wanneer ik medewerken moest zonder de personen in quaestie.

Ik weet nog niet, wat Vestdijk en van Vriesland over deze zaak denken. Zoo spoedig mogelijk zend ik hun doorslagen van mijn vorige en deze brief aan jou; en dan lijkt het me absoluut noodzakelijk, dat wij voor 1 Aug., het begin van jouw vacantie, met ons vieren vergaderen, om uit te maken wat den Vlamingen moet worden meegedeeld.

Volgens mij zal nu geen andere oplossing mogelijk zijn dan deze, wanneer Vestdijk en Van Vriesland tenminste niet van plan zijn, om ook zonder Du Perron, Greshoff en mij als medewerkers door te gaan: Den Vlamingen moet worden geschreven, dat de plaatsing van Virginia noodzakelijk is. Zij zullen daaruit hun consequentie trekken en aftreden. Dan zullen wij, vrees ik, wel niet anders kunnen doen dan Forum laten springen; maar wij kunnen natuurlijk alle mogelijkheden zorgvuldig overwegen.

Dit is maar een voorloopige meening van mij, die ik vast opwerp. Maar de vergadering voor 1 Aug. is dringend noodzakelijk. Nu ga ik zelf met vacantie tot 21 Juli en Vic is, meen ik, afwezig tot 1 Aug. Wij zouden dan, dunkt mij, of op 31 Juli of op 1 Aug. moeten zien bijeen te komen.

Ik verzend dus heden nog de beide doorslagen, benevens jouw antwoord aan mij aan V. en v.V. ter kennisneming.

h.gr. en dank voor je sympathieke overweging van mijn

aanvankelijke ideeën,

tt.

 

Doorslag: Den Haag, Letterkundig Museum

vorige | volgende in deze correspondentie
vorige | volgende in alle correspondentie