Menno ter Braak
aan
Nijgh & Van Ditmar N.V.

[Den Haag], 17 februari 1940

17 Febr. 1940

 

Beste Zijlstra,

Zou je me per omgaande nog even willen toezenden (hetzij in manuscript, hetzij, indien al gezet, in proef) het pak ‘Novellistisch Proza’ van Slauerhoff, waarvan de ontvangst mij werd bevestigd door den heer Meijer op 8 Juni 1939? Ik heb het dringend noodig in verband met de rangschikking. Bij voorbaat dank.

Ook zou ik je willen vragen mij de door Lekkerkerker gecorrigeerde revisie, nadat je die van hem terug ontvangen hebt, even door te zenden aan mij. Ik neem haar voor het allerlaatste fiat dan nog eens door met Du Perron, die elke letter van Slauerhoff kent, en die dat graag wil doen, nu hij uit Indië terug is. Mag ik daar ook op rekenen? Je behoeft me dan geen extra revisie te laten zenden. Het laatste fiat komt dus van mij; ik acht dat met het oog op de ervaringen van verleden jaar, waar ik overigens in het belang van Lekkerkerker liever niet op terug kom, wenschelijk. Men kan met zulke definitieve uitgaven niet voorzichtig genoeg zijn, en het zou zonde en jammer zijn, als er van tekststandpunt iets tegen deze complete werken zou kunnen worden ingebracht.

h.gr.

tt.

 

Doorslag: Den Haag, Letterkundig Museum

vorige | volgende in deze correspondentie
vorige | volgende in alle correspondentie