Menno ter Braak
aan
Nijgh & Van Ditmar N.V.

Den Haag, 22 april 1940

Den Haag, 22 April 1940

Kraaienlaan 36

 

Beste Zijlstra,

Aangeteekend zend ik je de proeven van Slauerhoff Gedichten I, thans in de definitieve, d.w.z. allerdefinitiefste volgorde. Lekkerkerker, Du Perron en ik hebben daaraan een dag werk gehad, afgezien nog van het ‘voorwerk’; maar nu is de editie dan ook onverbeterbaar, naar het ons voorkomt. Het is jammer, dat deze wijziging der volgorde pas in dit stadium kon geschieden, maar dat is uitsluitend een gevolg van de omstandigheid dat Du Perron, in Indië zijnde, geen deel van de Commissie kon uitmaken, en achteraf over gegevens bleek te beschikken, die van het grootste belang waren voor de ordening van den tekst. Wij hadden dus de keuze: of de volgorde zoo laten, hetgeen ons niet verantwoord leek, of de wijzigingen overnemen en de editie model maken. Dit laatste meenden wij te moeten doen, ook al is de vertraging vervelend.

Ik heb een lijst toegevoegd van de volgorde, zooals die nu is. Op die manier lijkt mij iedere vergissing uitgesloten. Het werk, dat ter zetterij nog gedaan moet worden, is dus, afgezien van enkele correcties in den tekst (hoofdzakelijk eenige komma's en punten), het omgooien van de pagineering. Ik heb alle veranderingen van die pagineering met rood potlood aangegeven en hier en daar, waar een gedicht moeilijk te vinden zou kunnen zijn, door een notitie als ‘zie p.x’ naar de paginering in de drukproeven verwezen. Maar aan de hand van mijn lijst moet het procédé betrekkelijk eenvoudig zijn.

Het tweede deel maken wij nog deze week in orde.

Ik heb, als de volgorde is gewijzigd en de correctie is gedaan, nog één revisie noodig, die ik dan in den kortst mogelijken tijd afdoe, zoodat daardoor geen nieuwe vertraging kan onstaan.

h.gr.,

tt.

 

Doorslag: Den Haag, Letterkundig Museum

vorige | volgende in deze correspondentie
vorige | volgende in alle correspondentie