Menno ter Braak
aan
E. du Perron

Rotterdam, 6 mei 1931

R'dam, 6 Mei 1931

 

Beste Eddy

Hartelijk dank voor je beide pakjes en brieven! Voor kleine Parochie ziet er beter uit dan Kort Geding, vind ik, door de letter, en door den inhoud. (dit laatste ziet men ook op het eerste gezicht). Ik las Marsman nog eens over; er staan uitstekende dingen in, maar mij hindert toch altijd dat zich - bruusk - retireeren achter het dichterschap, überhaupt de ‘ik vermoed’-toon, die geen ander fond heeft dan dichterlijke zelfoverschatting. Weshalve dan ook mijn anti-aesthetische aesthetica weer flink gevorderd is. Toch is Marsman een vent, een dichter in den goeden zin van het woord; hij kan soms losse dingen verbazend goed zeggen, werkelijk ‘onthullend’, zooals het in der heeren taal heet.

Cinema Militans ziet er in dit costuum veel mooier uit dan vroeger. Maar ik kan het toch niet zonder een zekere afschuw lezen; tant de bruit pour un cinéaste! Maar ik ben blij, dat ik het weer bezit; zoodra de jongens van De Gemeenschap weer een ex. loslaten, stuur ik je een nieuw terug. - Meneer Domela lijkt me prachtig, een reuzeprol, die het voordeel heeft, zijn oogen goed open te kunnen zetten.

Vanmiddag zond ik je De Stem van Mei, waarin veel wetenswaardigs staat, dat je zal boeien. Primo Coster's uitdaging aan jouw adres, dat je aanleiding moet geven, een grondig essay over zijn grondeloosheid te schrijven. Maar dan nu ook werkelijk afdoende, fundamenteel! Ik zou het zelfs zoo snijdend en zakelijk mogelijk doen, op de kern van de zaak af. Hij geeft zich overigens nogal erg bloot, met die verbeten armeluis-mop over het ‘kasteel’ (had ik het zelf maar, stinkt er uit). Het is toch een mieserig mannetje, en zoo uiterst kwetsbaar bovendien. - Verder staan er weer nieuwe documenten voor Anthonie's aderverkalking in dit nummer, zelfs een zeer duidelijke sneer aan mijn adres (radio!). Enfin, hij krijgt zijn pil in de Vrije Bladen te slikken, zij het dan ook zonder diarrhee.

Jef Last is mij gedeeltelijk meegevallen. Als alle onklare auteurs wordt hij tegen het eind, waar zijn eigenlijke onklaarheid pas komt, durft komen kijken, slecht en banaal, m.a.w. positief, bejahend. Maar b.v. Lachgas is m.i. werkelijk, op zichzelf beschouwd, verdienstelijk, goed geschreven, ook goed van mentaliteit. Anna en Mary vind ik om te huilen van weeïgheid en beroerdigheid; daar mag blijkbaar de echte Last, na ‘flink’ gedaan te hebben, vol sentimenteel ‘gas’ geven! ‘De bedwelmende geur van haar haren!’ Zoowaar, het staat er, in een portiekje! Misschien loop ik er nog warm op, als ik een uitgangspunt kan vinden ten minste.

Verder verloopen de dagen ook hier kabbelend.

Benieuwd, wat je over Cendrars zult zeggen. Ik kon maar geen verhouding tot dat boek vinden.

De Stem krijg ik bij gelegenheid wel eens van je terug; het is een nummer, om te conserveeren en op te zetten. Hart. groeten en hand van je

Menno

 

Denk er aan, nogmaals, het stuk tegen Coster moet nu slachtend zijn!! Een aanklacht, een positiebepaling, alles!

 

Zie ook de geactualiseerde versie van het notenapparaat van de brieven-editie Van Galen Last (1962).

 

Origineel: Letterkundig Museum, Den Haag

vorige | volgende in deze correspondentie
vorige | volgende in alle correspondentie