Menno ter Braak
aan
E. du Perron

Rotterdam, 4 juli 1931

R'dam, 4 Juli '31.

 

Beste Eddy

Het archief V. Bladen-Bouws hangt mij zeer vele meters de keel uit! Maar ik moet er je toch nog even over schrijven, omdat mijn indrukken van het ‘incident’ momenteel anders zijn dan de jouwe. M.i. kan buiten beschouwing blijven, in hoeverre B. persoonlijke ijdelheid in het geding heeft gebracht; in ieder geval is dat dan toch onbewust (of onderbewust) gebeurd. B. heeft me eergisteren de ‘stukken’ laten lezen; hij trekt zich de zaak erg aan, en schijnt vooral door jouw briefje zeer van streek te zijn. Uit één en ander is me gebleken, dat hij werkelijk op ons gesteld is, en zeker geen kleinzielige beleedigdheid als argument gebruikt.

Maar nu de ‘stukken’. B. heeft destijds aan v. Wessem een schriftelijke uiteenzetting gegeven van zijn verhouding tot Zijlstra (dus lang voor de beroemde conferentie). Ik heb dat ‘stuk’ gezien en moet constateeren, dat B. hierin volkomen duidelijk uiteenzet, dat hij als gemachtigde van Zijlstra optreedt, dus qua talis wel in de onderhandelingen betrokken is. v. Wessem heeft verzuimd, de inhoud van die brief duidelijk aan de redactie over te brengen, waardoor Bouws' positie in de oogen van Marsman c.s. verdacht werd.

Voorts: de quaestie van het redactie-secretariaat was van den beginne af bij Zijlstra een sine qua non. Hij meent n.l. alleen te kunnen werken met een ‘manager’, die tegelijkertijd met de redactiezaken op de hoogte is, en dus niet met v. Wessem. Zijlstra heeft mij dat gisteren, in een gesprek, dat ik met hem had, positief bevestigd, ook dat v. Wessem als man voor dat secretariaat hem geheel ongeschikt leek. (Zijn gunstig oordeel over Charleston heeft daarmee niets te maken!). De zaak was dus eigenlijk heel duidelijk. Ik heb aan Marsman, daarom, voor de conferentie, nog geschreven, dat hij, om alle gevoeligheden te vermijden, aan Zijlstra in den mond moest geven, hoe hij zich de verhouding van redactie en uitgever voorstelde. Dat heeft M. echter niet gedaan; volgens Zijlstra (gesprek gisteren) had hij de onderhandelingen zeer onhandig aangepakt (dat laat ik overigens daar, als komende uit uitgeversmond). Had M. het wel zoo gedaan, dan zouden vanzelf de meeningsverschillen los gekomen zijn, zou er waarschijnlijk niets zijn gebeurd, want voor de rest klopt n.b. alles! Er is b.v. geen sprake van, dat Zijlstra v. Wessem uit de redactie wil hebben.

Ik heb Marsman deze meening ook laten weten; hij heeft daarna (en op Bouws' brief) gereageerd, door opnieuw onderhandelingen met Zijlstra te vragen.

De fout lijkt me in dezen meer bij v. Wessem en Marsman te liggen dan bij Bouws, en de heele quaestie draait evenzeer om v. Wessem's vastkleven aan zijn secretaris-baantje als (ook natuurlijk) om Bouws' neiging, een tijdschrift te besturen. Dit laatste vind ik niet a priori verwerpelijk, vooral nu me wel blijkt, dat er van een poging van Bouws, om alles op zijn persoon te laten stranden, geen sprake is. Dat hij tenslotte zijn persoon als redactiesecretaris zonder stem bij de zaak betrokken wilde zien, is een van zijn standpunt begrijpelijke ijdelheid.

Ik schrijf er expres nog zoo uitvoerig over, omdat ik een tijdje geleden inderdaad Bouws' positie raar vond. Er blijkt nu van alles tusschen te zitten, wat ik toen niet wist. Dat Bouws Zijlstra niet aan zijn persoon gekoppeld heeft, blijkt bovendien hieruit, dat Zijlstra ook zonder hem wel wil beginnen; alleen handhaaft hij de m.i. zeer begrijpelijke eisch, dat de redactiesecretaris een tusschenpersoon moet zijn. Ik geloof, dat Marsman en v. Wessem zich hiervan te weinig rekenschap hebben gegeven. Nijgh & v. Ditmar is tenslotte geen idyllezaakje, zooals De Spieghel, en Zijlstra moet dus een man hebben, aan wie hij ook de zakelijke zijde kan overlaten; en die zakelijke kant is nu eenmaal onafscheidelijk van de ideeële. Bouws komt in geen geval meer in aanmerking, omdat hij uit deze feiten zijn consequenties trekt; misschien zou Otten heel goed deugen.

Oef! Ik bezie de V. Bladen-zaak met gematigde interesse. Komt er wat van, dan wil ik actief meedoen, loopt het mis, dan zal ik geen traan storten. Voorloopig verlang ik zwaar naar vacantie! Maar ik wil in ieder geval Bouws niet in de steek laten, voorzoover hij dat niet verdient. Het lijkt me, dat je hem in je laatste brief te zwart beoordeelt; waar ik misschien zelf aanleiding toe gegeven heb, met al zijn ijdelheden (Bs/ce 583 Pr.), die wij tenslotte evengoed hebben, staat hij in dit geval m.i. niet ‘schuldig’, of tenminste niet alleen. Zijn antwoord aan Marsman vind ik ook zeer loyaal.

Nogmaals: oef! Later eens een betere brief! Ik ben bek-af! In ieder geval nu tot spoedig ziens! Hart. gr. van je

Menno

 

Zie ook de geactualiseerde versie van het notenapparaat van de brieven-editie Van Galen Last (1962).

 

Origineel: Letterkundig Museum, Den Haag

vorige | volgende in deze correspondentie
vorige | volgende in alle correspondentie