E. du Perron
aan
Menno ter Braak

Gistoux, 21 augustus 1931

21 Aug.

 

Beste Menno,

Het antwoord van Marsman heb je op de andere zijde gelezen. Heeft Bouws je gezegd dat Zijlstra met het oog op Vlaanderen Roelants in de redactie wil? Ik heb daar niets op tegen: 1o. is Roelants een uiterst-geschikte kerel, 2o. heeft hij het zeer druk, zoodat hij practisch niets of weinig zal uitvoeren, 3o. gaan zijn opvattingen met de onze vrijwel samen. Maar ik schreef Bouws dat ik liever nu heelemaal bij het oude plan bleef. Jij en ik dus, òf jij en Roelants en ik, met Bouws als redactie-secretaris-met-adviseerende stem. Daar blijft het dus bij?

Ik kan Marsman geen ongelijk geven wat zijn houding betreft; ik zou zelf niet anders hebben kunnen doen. Jammer is het natuurlijk. - Verder heeft hij wschl. gelijk wat betreft het begin van je essay; in mijn herinnering kwam het ook erg traag los; is het niet gewenscht het eens door te zien, en hier of daar wat te schrappen? Ik ben zelf ook bezig de oude stukken van Coster op deze wijze te herzien. Die verdòmde herhalingen!

Zend me dus eerstdaags Commentaar. - Ik zond je een pak Costeriana. Verz. Proza I dat ik verpestte, krijg je van Bouws. Tot nader. Hart. gr. van je

E.

 

Zie ook de geactualiseerde versie van het notenapparaat van de brieven-editie Van Galen Last (1962).

 

Origineel: Letterkundig Museum, Den Haag

vorige | volgende in deze correspondentie
vorige | volgende in alle correspondentie