Menno ter Braak
aan
E. du Perron

Den Haag, 23 februari 1937

Den Haag, 23 Febr. '37

Kraaienlaan 36

 

Beste Eddy

Het spijt me heel erg, dat de quaestie van die brief over D.D. je zoo ongerust heeft gemaakt, en ik ben het achteraf volkomen met je eens, dat een zending per aangeteekende de juiste weg was geweest. Het spijt mij in het bijzonder ook voor D.D., die er werkelijk wel niet meer onaangenaamheden bij zou kunnen verdragen. Maar één ding... ik ben er heilig van overtuigd, dat je deze zaak te zwart inziet. Ik zeg dat niet te mijner verontschuldiging, maar omdat ik het volstrekt meen. Dat ik zoo laconiek over dat wegraken schreef mag je al bewijzen, dat ik tot op den dag van heden geen moment serieus de mogelijkheid van een diefstal door N.S.B.-spionnen heb overwogen! Alle andere mogelijkheden zijn waarschijnlijker dan deze eene. Vooreerst is mij van een ‘controle’ op correspondentie tusschen Jan en mij nooit iets gebleken; er is nooit een brief verloren gegaan (evenmin als tusschen jou en mij, afgezien van één naar Bretagne, een paar jaar geleden), er is nooit iets gebleken van beschadiging of poging tot openen etc. etc. Ik heb dezen brief ook niet speciaal naar Jan gestuurd om hem op de hoogte te stellen van de zaak D.D., maar hem inzage van óók dezen brief gegeven, omdat hij er uit vriendschappelijke overwegingen prijs op stelt van je faits et gestes op de hoogte te blijven; ik zend hem geregeld jouw brieven aan mij, en hij mij de jouwe aan hem gericht. Aangezien hij, zooals je weet, geen enkele relatie onderhoudt met N.S.B.-spionnen of hooge ambtenaren, leek mij dit volkomen ongevaarlijk; verder is natuurlijk niemand op de hoogte van de quaestie van de boekuitgave en wat daarmee samenhangt. Ik erken, dat jouw mogelijkheid niet geheel verworpen kan worden, maar ik heb geen moment anders verondersteld, dan dat een gauwdief naar een bankje heeft gezocht, omdat de brief met 20 ct. gefrankeerd was. Het lijkt me dus zeer onjuist voortijdig ongerust te zijn over iets, dat hoogst waarschijnlijk geen grond heeft. Tenslotte is de correspondentie tusschen Nederland en België toch geen correspondentie tusschen Nederland en Indië. Ik geloof niet aan een doelbewuste spionnage; niet omdat ik de N.S.B. er te goed voor acht (integendeel!), maar omdat ik geloof, dat ze andere objecten kiezen om in de gaten te houden dan mij. Een soortgelijk onderscheppen door een postambtenaar is geen lolletje en wordt zeer streng gestraft. Wat voor D.D. geldt, geldt, zoover ik weet, niet voor mij; ik heb geen enkele aanwijzing voor spionnage of briefcontrole. (en dat, terwijl ik telkens brieven ontvang van Loenen, den secretaris van Waakzaamheid!). Ik heb natuurlijk al gereclameerd.

Nogmaals, ik schrijf dit niet om me te disculpeeren. Ik heb den brief over D.D. in het geheel niet en bagatelle behandeld, maar ik heb alleen de mogelijkheid van spionnage bij de post gering geacht. Dat spijt me nu ontzettend, maar ik weiger alsnog te gelooven aan de hypothetische mogelijkheid, die jij als een realiteit schijnt te beschouwen. Ik zou je dan ook sterk afraden, D.D. te verontrusten door iets, dat hem waarschijnlijk niet boven het hoofd hangt. Interpreteer niet, voordat er werkelijk ernstige redenen voor zijn, Indische verhoudingen in de Nederlandsche: je vergalt je daardoor het leven, zonder noodzaak. Ook dit weer niet als ‘flauw excuus’, maar als mijn diepste overtuiging, wat de portée van de zaak betreft. Als de brief onverhoopt in het hoofdkwartier van Mussert terecht zou zijn gekomen, was er bovendien al groote kans geweest, dat er een artikel met ‘onthullingen’ in Vova had gestaan. Kieskeurig zijn die lieden n.l. allerminst, en onbeheerscht zijn ze ook, zoodat ze heusch wel niet lang zouden hebben gewacht, als er een relletje uit te maken was.

Dat ik den brief in quaestie nog niet verscheurd had, is begrijpelijk: ik wilde hem bewaren, totdat ik het dossier D.D. gelezen had.

En nu aangenomen het ergste en onwaarschijnlijke geval: de brief is in verkeerde handen gekomen. Dat zou beroerd zijn, maar ik geloof noch voor D.D., noch voor jou, noch voor mij het allerergste. Ik denk, dat, wat je mij over de gezindheid van D.D. schreef, grootendeels geen nieuws voor de autoriteiten zal zijn. Jouw houding is uitgesproken anti zijn streven, volgens den brief. Dat je moeite wilt doen zijn boek in Holland uit te geven, is gelijkelijk bezwarend voor jou en mij, maar in laatste instantie blijkt uit den brief duidelijk, dat het hier om sympathie voor de persoon en niet voor de zaak gaat. [Dat is erg genoeg, ik weet het, maar je stuk over Lebak zal in zekere kringen ook al reden zijn voor verdachtmaking, reken daar maar op!] Ik veronderstel dit alles even, hoewel ik er niet aan geloof, dat het ‘actueel’ zal kunnen zijn. Met dat al, ik heb er ernstig de pest over in, en zal in het vervolg nog meer aanteekenen dan ik tot dusverre al deed.

Deze quaestie beneemt me zelfs alle lust ditmaal over iets anders te schrijven. Ik trek het me aan, en voel me beroerd, dat zelfs de mogelijkheid van zooiets nu kan worden verondersteld. In een volgenden brief dus over andere dingen. Alleen nog een paar practische aangelegenheden. 1e Ik zond je per luchtpost een nummer van Het Vad., waarin je artikel over Lebak. De andere 10 volgen per mail. Het stuk heeft zeer de aandacht getrokken, en het is ook uitstekend. 2e Je brief over Waakzaamheid was overbodig. Er zit geen enkele Stalinist in het Comité, preciezer: geen enkele bij de C.P.H. aangesloten partij-communist. Zelfs hebben wij de brochure van Snethlage ingetrokken, omdat deze (geen lid van het comité) in den reuk van ‘Stalinistische gezindheid’ staat. 3e de ex. van ons interview zijn niet meer voorradig, maar ik tracht ze toch te krijgen door ze op te sporen bij de zendingen, die uit de kiosken terug zijn gekomen. 4e Freuds Selbstdarstellung had ik al lang besteld, maar Henri Mayer vergat het; het gaat nu, samen met Julius Pée, naar je toe. 5e Boucher zegt mij, dat hij voorloopig geen tweede reeks Blocnotes uit kan geven, omdat hij nog zit met voorraad en de ‘markt’, ook door Graffiti, nog niet ‘rijp’ is voor een tweede bestelling. Hij zal je echter zelf hier over schrijven. 6e Het boek van De Gruyter over Multatuli zond ik je nog niet, omdat... ik zelf bezig ben met een boekje over Multatuli! Het zal waarschijnlijk een Meinummer van de Vrije Bladen worden. Ik wil daarin probeeren M. tegenover Nietzsche te stellen en zijn heele persoonlijkheid als synthese van het onmogelijke en geniale tegenover de populaire portretten van zijn haters en vereerders zetten. Daarom zou ik De Gruyter nu ongraag missen. In een ex. van de bibliotheek kan ik niet naar believen kantteekeningen maken en strepen zetten. Kun je het niet in Batavia krijgen? Zoo neen, dan zend ik het je omgaand per luchtpost, als dat bij het gewicht mogelijk is.

Als deze brief niet over die rot-affaire was gegaan, had ik je een verslag gegeven van de heugelijke aankomst van den ‘generaal’ (wij houden hem daar tenminste voor), die helaas een weinig verminkt aankwam, maar toch in onze kamer staat op een paar zeer parmantige beenen. Wat voor ‘stijl’ is dit? Wij raden er vergeefs naar. Maar hij is magnifiek en diabolisch. - Ook over je Scheepsjournaal liever een volgende keer. Ik heb er met Jan Greshoff over gecorrespondeerd, die jouw er misschien al over geschreven heeft. Mijn oordeel is niet precies hetzelfde, maar ook dat later. - Ook over het boek van D.D., waarin ik lees, later. Wanneer de hypothetische mogelijkheid van den verloren brief niet aan de realiteit blijkt te beantwoorden, sta ik er even vrij tegenover als wanneer ook.

Overigens is het misselijkste voor mij in dit heele geval, dat zulk een wantrouwen jegens gappende postambtenaren en spionnage helaas niet voor 100% verworpen kan worden. Toch heb ik voorloopig nog de ‘pueriele’ naïveteit om, voor Nederland tenminste, in de tamelijke veiligheid van het briefgeheim te gelooven. Is dat mijn fout? Ik hoop van niet.

Hart, gr., ook van Ant en voor Bep. Je

Menno

 

In de N.R.C. is nog geen stuk over Blocnote Kl. Formaat verschenen tot dusverre!

 

Zie ook de geactualiseerde versie van het notenapparaat van de brieven-editie Van Galen Last (1962).

 

Origineel: Letterkundig Museum, Den Haag

vorige | volgende in deze correspondentie
vorige | volgende in alle correspondentie