Menno ter Braak
aan
E. du Perron

Den Haag, 7 maart 1938

Den Haag, 7 Maart '38

 

Beste Eddy

Die uitdijïng van je weerlegging aan het adres van Saks, mevr. Romein c.s. lijkt me inderdaad niet zoo gemakkelijk op te lossen. Uit je brief aan Jan blijkt me, dat je van de inzending aan Gr. Ned. afziet. Maar zelfs als je dat niet deed: het zou daar onmogelijk in kunnen m.i., eenvoudig vanwege de lengte. Je constateert zelf, dat Jan een verhaal van je al twee jaar heeft liggen; noem erbij, dat zijn Ikaros meer dan een half jaar gelegen heeft. De eenige manier om dat tijdschrift voor ons te behouden is, zooals Jan terecht gezien heeft, het ‘gemengd’ te maken; er zit niet anders op, in deze beroerde economische omstandigheden. De saneering van de ‘zaak’ is dit jaar heel aardig gelukt, naar het schijnt; de kolossale schuld, door het wanbeheer van Coenen ontstaan, is ongeveer afgedaan. Als je daarbij ziet, hoeveel Jan tenslotte, met toegeeflijkheid tegenover de Naeffs en Robbersen, toch nog van jou, Henny, mij e.a. geplaatst heeft, vind ik het resultaat lang niet slecht. In aanmerking genomen, dat De Gids, De Stem e tutti quanti voor ons practisch niet meer bestaan, is Gr. Ned. een eiland. Maar verwacht er geen tweede Forum van. Zoolang er hier een dusdanig rotpubliek is, dat de abonnementsrekening beheerscht, is er ook geen kans op een tijdschrift, dat één richting vertegenwoordigt. Ik beschouw Gr. Ned. dan ook gewoon als een tijdschrift onder de andere tijdschriften, maar dan als het eenige, dat bijdragen van ons publiceert, en dat als zoodanig van veel meer belang voor ons is. - Probeer van die artikelen een boekje te maken. Voor de Vrije Bladen, die ik anders graag voor je zou bewerken, is het te dik geworden; tenzij de redactie iets zou voelen voor een dubbelnummer. Ook daar kan ik bij Leopold naar informeeren, maar je zou me dan eerst de copie moeten zenden, zoodat hij den omvang zou kunnen uitrekenen. Practisch is, geloof ik, Leopold momenteel de man, die de Vrije Bladen drijft, want ik heb van de heeren redacteuren nog nooit iets gemerkt, zonderling genoeg. Overleg dus, of je die poging wilt ondernemen en stuur mij in dat geval zoo spoedig mogelijk de complete copie in definitieven vorm. Voor 70 pag. kunnen zij, als zij iets voor een dubbelnummer voelen, best opdraaien.

En nu nog de Deen! Ik heb het stukje onlangs op mijn bureau gevonden; het bleek ergens tusschengeraakt te zijn. Toen dacht ik er Bep een pleizier mee te doen het naar Gr. Ned. te sturen, temeer omdat ik het bij herlezen een bijzonder aardig artikel vond, eigenlijk veel beter geschikt voor een tijdschrift dan voor een krant. Ik zou, als ik Bep was, tegen de plaatsing dus geen enkel bezwaar hebben, maar als zij perse niet wil, dat het daar gepubliceerd wordt, kan het zetsel natuurlijk weggemaakt worden. Maar schrijf mij daarover nog even, want ik vind het jammer, en zonde van het honorarium.

Die afkeer bij Jan van de Man van Lebak is anders vreemd. Hij zegt, dat hij door de lectuur steeds meer de pest kreeg aan Multatuli. Ik voor mij geloof ook wel, dat ik bijzonder slecht met hem zou kunnen opschieten, maar dat verandert niets aan mijn bewondering voor zijn ‘figuur’. En zoolang er zoo tegen hem geageerd wordt als te doen gebruikelijk is, zal ook bij mij het laatste woord nooit anders dan bewonderend kunnen zijn. - Ja, waarop berust de overeenkomst tusschen Jan en Multatuli eigenlijk op? Zij hebben veel gemeen: de ongegêneerdheid, de neiging tot ‘overdrijven’ (beter gezegd: de neiging om gedachten ‘jenseits von Gut und Böse’ te interpreteeren in den stijl van ‘verlichting en beschaving moeten zegevieren’), zelfs de neiging om hun portret te koop aan te bieden. Maar Multatuli's intelligentie was vast en zeker grooter en beweeglijker, terwijl Jan een lyrische kant heeft, die Multatuli miste. Misschien zou Jan gemengd met Erich Wichman al meer in de richting komen, maar dan vooral niet te veel Wichman. In ieder geval ben ik er van overtuigd, dat Jan's afkeer de kant Wichman in Multatuli geldt, en dat hij zich daardoor zeer sterk laat beïnvloeden. Ik ook, zie mijn Vr. Bl.-pamflet; maar ik heb een totaal andere appreciatie van den completen Multatuli, die zeker niet op Wichman heeft geleken.

Ik zal je een ingenaaid ex. van de Christenen laten zenden door Nijhoff; maar knip dan de opdracht uit het door den zendeling bevuilde ex. en plak die in het nieuwe! En laat vooral niet na mij eens over die elite te attakeeren, want ik heb daar wel een en ander op terug te zeggen! Ik begrijp nog altijd niet (evenmin als destijds met dien genialen notaris), wat je me precies verwijt! Dat jij je 100% elite voelt naast Hamburger, is wiedes, maar heb ik gezegd, dat je je dat niet moet voelen?? Ik beweer alleen, dat je daarmee geen verdwenen ‘natuurlijke’ elite-verhoudingen in de maatschappij kunt herstellen. Dat jij je elitemensch voelt, is dus volstrekt niet alleen maar een zinnelooze aanmatiging, maar het woord zegt niets meer over het gevoel. Je voelt je: intelligenter, ‘Europeescher’, fatsoenlijker, en god weet wat meer: terecht! Maar met de elitepretentie, waarover ik in de Christenen schrijf, heeft dat toch niets te maken, zou ik zeggen. Voor zoover je elitepretenties hebt, of zoudt hebben, vind ik ze, of zou ik ze vinden, flauwe kul. Leg mij nu uit, dat je ze hebt, en dat het geen kul is. Dat begrijp ik nog steeds niet. Het gevoel van de 100% t.o. Hamburger aanvaard ik niet; dat is eenvoudig een verkeerd etiket op een goede zaak geplakt.

Nog een bewijs, geput uit een gisteren ontvangen zending Bat. Nieuwsbladen. Wanneer je de elite-pretentie had (of tenminste wanneer die je persoonlijkheid bepaalde), zou je die stukken in het Bat. Nwsbl. niet zoo kunnen schrijven. Ze zijn immers duidelijk voor een ‘groot’ publiek geschreven, maar ze zijn met dat al met absolute overtuiging en zonder een grein van populariseerende ‘superbia’ geschreven! Je volgt dus hierbij de impuls ‘100% elite contra Hamburger’, maar je pretendeert de elite niet te handhaven door bepaalde onderscheidingen, die je een recht op een hooger etage zouden kunnen waarborgen. Deze stukken correspondeeren volkomen met mijn opvatting van het paradoxaal geworden elitebesef; je zoudt dus, als je mij bestrijdt, je eigen stukken moeten bestrijden. (Onder ons: je doet het tienmaal beter dan tot dusverre Vestdijk in de N.R.C.).

Maar ik voel me zeer suf, en misschien klinkt dus dit alles onhelder. Tot nader en beter.

Hart. groeten onder ons je

Menno

 

Rien Marsman logeert hier; Henny is in Positano, bij Jany. Hij komt in April in Holland.

 

Als een valsche élitepretentie bij mijzelf herken ik (achteraf helaas) het laten staan van latijn in dat boekje over Luther.

 

Zie ook de geactualiseerde versie van het notenapparaat van de brieven-editie Van Galen Last (1962).

 

Origineel: Letterkundig Museum, Den Haag

vorige | volgende in deze correspondentie
vorige | volgende in alle correspondentie