Menno ter Braak
aan
E. du Perron

Den Haag, 30 juni 1938

Den Haag, 30 Juni '38

 

Beste Eddy

Mijn langdurig zwijgen moet je niet al te zeer verwonderen. Met de grootste moeite overwin ik langzamerhand de gevolgen van die ‘zenuwcrisis’, die allang achter den rug is, maar telkens nog kleine nagolvingen oplevert. Een hevige antipathie tegen alles wat meer dan strikt noodzakelijk is om van dag op dag te leven, is een van de meest karakteristieke symptomen van deze nawerking. Ik hoop nu eindelijk eens heelemaal weer fit te worden door vier weken vacantie in Antibes met rust en nog eens rust. Want dat is blijkbaar, wat ik noodig heb; de ‘regressies’ laten zich altijd gelden als ik te constant heb moeten werken of te weinig slaap krijg. Daarbij is het weer hier (zelfs voor Holland) geweldig slecht en deprimeerend; eergisteren en gisteren zelfs storm, die onze tuin ruïneerde!

Maar genoeg over mijzelf. Het is heelemaal niet tragisch, maar ik dien mijn apathie en stilzwijgendheid toch te verklaren. Om mezelf een soort belangstelling in te blazen, maakte ik een selectie uit vijf jaar critieken, die in den herfst als boek zal verschijnen. Daar kwam nogal veel omwerken bij te pas, zoodat ik me kon verbeelden iets te doen. Het kostte me moeite aan dit werk genoeg belang toe te kennen, maar gisteren is het resultaat toch definitief de deur uit, naar Nijgh en v.D.

Ik schreef al een tijd geleden Meulenhoff; 1o om hem te vragen je het manuscript van Schandaal in Holland in ieder geval te retourneeren en 2o om zijn beslissing inzake een ev. uitgave. Het antwoord kwam een paar dagen geleden binnen; ik sluit het in. Zooals je ziet, heeft Meulenhoff jr. erg zijn best gedaan om uit te drukken, waarom hij zich zal onthouden. Ik geloof (en meen die indruk bevestigd te zien door den toon van dezen brief), dat hij geschikt is; wat hij gewild had, was waarschijnlijk toch weer een betere Jo v. Ammers-Küller, iets meer ‘opgekookts’ met smakelijker beschrijvingen. Het lijkt mij inderdaad volmaakt zinneloos, dat hij zich nu nog met jou in verbinding zou stellen; als hij er geen zin in heeft, moet hij het niet doen. Mijn vraag is nu: zal ik Leopold probeeren? In dat geval moet ik natuurlijk je manuscript weer terug hebben, na je bewerking ervan.

Je brief aan Jan heb ik gelezen en doorgezonden. Ik beken eerlijk, dat ik na zooveel maanden ‘tusschenruimte’ je motieven inzake het Archief niet meer beoordeelen durf. Het zou natuurlijk onzin zijn te blijven hangen aan iets, dat geen toekomst heeft, en bovendien is het nog onzinniger om je gezondheid te verpesten. Over dit alles (juist deze kleine zakelijke dingen) is briefschrijven haast onmogelijk, na zooveel tijd. Ik zou je erg graag weer eens een dag spreken, in Le Murat b.v. Laatst nam ik plotseling Het Land van Herkomst op en had al een gevoel van herinnering! De sfeer van de Feuilleraie, Joies de Meudon: het lijkt me alles al weer in een ander tijdvak te liggen. Wat ik aan ‘bagage’ uit dat tijdvak ‘gered’ heb is niet veel. Als ik nu het boek zou kunnen schrijven, dat in mijn hoofd zit, zou het niets meer lijken op de Christenen. De behoefte aan historie, aan ‘groote lijnen’, ben ik sedert die opdonder na Oostenrijk volkomen kwijt. Maar hoe uitstekend houdt zich Het Land van Herkomst! Het is, juist door de bewuste subjectiviteit, zoo compleet een stuk van jouw leven, dat toch voor een deel ook het mijne was.

Over mijn tegenwoordig bestaan durf ik niet veel zeggen. Ik heb het gevoel, dat ik volkomen geïmproviseerd leef, tot nader order. Alleen de verplichte artikelen in de krant (die ik overigens met pleizier schrijf) vormen een soort continuïteit; zij noodzaken me telkens weer ‘geëxtraverteerd’ te doen, het ‘als-ob’ van den steeds actieven en belangstellenden criticus der Ned. letteren vol te houden. Misschien zal dat achteraf blijken volstrekt geen slecht element in de kuur te zijn geweest. Wij hebben een prettig huis, dat is ook wel iets waard; als een zekere mate van stomme vitaliteit terugkwam, zou de pen mij vol motieven vinden. Ik heb soms het gevoel, dat ik gegevens zou hebben voor minstens drie romans; maar de romanvorm stoot mij voorloopig nog af, ik kan de juiste formule niet ontdekken. Het gaat me net zooals jou: ik lees liever dan dat ik schrijf, in dit stadium.

Het stuk in de Indische Courant (dat dus nu herroepen is) was wel een model inderdaad van de vuilste en onverteerdste rancune. Als het ressentiment zich niet beter weet om te zetten dan tot deze vuiligheid, is het werkelijk alleen maar triest en zielig. Vooral de zin over de autobiographie is zeer onthullend! Zooiets als een autobiographie lijkt dien meneer blijkbaar qua talis een soort pornographie. - Of het beter is, dat je je aan deze dingen onttrekt en naar Europa terugkomt durf ik ook niet beoordeelen. Alleen kan ik je zeggen, dat hier de mogelijkheden, zoolang de nieuwe inzinking duurt, weer uiterst gering zijn... hoogstwaarschijnlijk belangrijk geringer dan in Indië. Als het gekkenhuis nog een tijdje blijft draaien (ik bedoel hiermee nu het ‘vriendschaps’ verbond tusschen de heeren Chamberlain en Mussolini, met Hitler als fâcheux troisième) en er geen oorlog komt, kan de economische situatie misschien verbeteren, maar momenteel is het niets gedaan.

Vestdijk is nu redacteur van de N.R.C. en reeds door de redactie gekapitteld als te ‘moeilijk’; dit stadium is blijkbaar geheel normaal in de loopbaan van een dagbladcriticus, en het beteekent niets anders dan een soort chantage. En verder heeft hij ‘den’ prijs, die achteraf in het geheel geen 1000, maar slechts 600 à 700 gulden zal bedragen! Gewoon afzetterij dus ook nog. Ik zie V. zelden meer. Als wij elkaar zien, zijn wij ‘geïnteresseerde kennissen’, die elkaar wat bezighouden, maar geen poging meer doen om contact te krijgen. Ik wil overigens niet zeggen, dat ik onverschillig ben geworden voor V's werk; zijn essay over Rilke (Vr. Bladen van Juni) las ik werkelijk zeer geboeid. Hij is mij als mensch eerder ontvallen dan als schrijver. Menschelijk contact heb ik met Jan Greshoff, die me alleen maar geen enkel probleem meer opgeeft; maar zijn warmte en hartelijkheid is een van de dingen, die ik hoog aansla. En dan zijn onuitroeibare letterkundige enthousiasme; dat is gewoon ongelooflijk. Hoe zal ik zijn op mijn 50ste jaar? - Wij hadden verleden week Van der Veen te logeeren, die erg geschikt wordt en nu met Hoornik een jongerentijdschrift gaat opzetten (uitg. Leopold). Hij ontwikkelde zijn plannen, en ik voelde me werkelijk oud. Dat is geen coquetterie.

Wij gaan waarschijnlijk 17 Juli op reis, om tot ± 15 Aug. weg te blijven. Je bereikt mij gedurende dien tijd aan het adres van Jan: Villa La Verne, Chemin François Gairaud, Juan-les-Pins (A.M.). Ik hoop daar een paar levensteekenen van je te krijgen. Op de heenreis hoop ik Gino en Chiaro even te zien.

Ik heb, zie ik, werkelijk een brief van vier kantjes geschreven. Ik verzeker je, dat me dit in geen weken gebeurd is; leid daaruit af, met hoeveel vriendschapsbanden Kraaienlaan en Java nog aan elkaar vastzitten (lieve god, wat een beeldspraak, ik moet er nu toch mee ophouden). Ant laat jullie, en speciaal ook Bep, hartelijk groeten. Van mij, voor jullie beiden, een hartelijke hand

Menno

 

Zie ook de geactualiseerde versie van het notenapparaat van de brieven-editie Van Galen Last (1962).

 

Origineel: Letterkundig Museum, Den Haag

vorige | volgende in deze correspondentie
vorige | volgende in alle correspondentie