E. du Perron
aan
Menno ter Braak

Bandoeng, 6 november 1938

Bandoeng, 6 Nov. '38

 

Beste Menno,

Dank voor je nieuwe brief, gekomen na mijn vorige: het is die waarin je vertelt van dat telefoonuitbarstinkje van dien ‘indischploert’ enz. Ik heb je brief hier met groot succes aan de mannen van Kritiek en Opbouw voorgelezen. Overigens heeft jouw artikel ook hier ‘zeer de aandacht getrokken’. Alle redacteuren van indische kranten hebben er plezier om gehad, want de oude schobber van de Java-Bode is ferm gehaat bij de collega's, maar overnemen - neen! ze zijn 90% bang voor hem en 10%, als vertegenwoordigers van de ééne opportunistische koloniale nederlandsche pers, toch saamhorig. Ze likken hem, terwijl ze hem konden vergiftigen; in zooverre is hij toch nog iets meer waard dan het gros van dit tuig. De jonge ambtenaren van de Algemeene Secretarie in Buitenzorg hebben van je stuk gesmuld: één had het direct uit Holland toegestuurd gekregen door een ‘woedenden vereerder’ van mij, één kreeg het van den wd. redacteur v/h Bat. Nwsblad met veel blauwe uitroepteekens. Zentgraaff zelf heeft er (nog) niet op geantwoord. Wat mij betreft, ik heb mijn stuk klaar, het zal over ± 10 dagen verschijnen. Als varkens een apoplexie konden krijgen, zou er kans zijn dat Indië daarna van dit oude zwijn was verlost. Ik geloof niet dat ik ooit zoo ‘vuil’ ben geweest in een polemiek, maar deze bully en ploert in folio verdient niet minder. Misschien zal hij hierna een zeer waardig stuk (vaderlijk joviaal) in de J.B. zetten - want aan zulke veranderingen van toon doet hij ook, - misschien zal hij mij een troep ennesbejers op mijn dak sturen... We zullen afwachten. Iedereen zegt dat de man zoo ijselijk gevaarlijk is.

Overigens gaat het heel zachtjes-an met me. Ik wandel, maar ben erg gauw buiten adem, voel mijn schoenen als ijzers aan mijn voeten, loop met slappe knieën. Thuis lig ik veel, en verveel me; lezen gaat ook maar half. Bep wil binnenkort voor een paar dagen met me naar Soekaboemi, maar daar zou ik dan toch eerst beter voor willen loopen. Maar wie weet wat de ‘klimaatsverandering’ uitwerkt. Ik wou vooreerst dat ik goed slapen kon, maar dat is allerbedroevendst, - het eenige wat niet verlamd is in me is mijn breinactiviteit.

Nu een komisch detail van de Zentgraverij. Leo Jansen, specialist-in-du-Perron te Batavia, werd door den boekhandel daar opgebeld om inlichtingen over dat gemeene boek Uit de Indische Jeugd van Arthur Ducroo, dat Z. naast Het L.v.H. genoemd heeft en dat niemand nog kent. Verscheidene bestellingen zijn ingekomen!

't Is allemaal drastisch genoeg, maar o, o, o, wat is 't door-en-door de provincie! Wat je je niet genoeg kunt voorstellen, daarginds, is de achtergrond, het vee dat Z. als een orakel leest. Als Nietzsche in persoon hem 20 × bestrijden zou in zijn eigen Java-Bode, dan nog zou dit vee denken dat N. een razende idioot was en Z. een wijsgeer en een held.

Last schreef mij dat hij jou een ex. Spaansche tragedie voor mij gegeven had - of had laten zenden. Is dat zoo? en zoo ja, heb je 't boek nog doorgezonden?

Hierbij een foto van Alijntje op Rantjasoeni, het land van Adé Tissing. Die spuier achter hem noemden wij Rübezahl, en Alijntje zelf speelt voor Puck, zooals je ziet.

Bep en ik denken er heusch stèrk over, om in Maart '39-of April, uiterlijk Mei - naar Europa terug te gaan. Alleen als dat tijdschrift nog doorgaat (waaraan ik ƒ250 à ƒ300 's maands zou verdienen) blijven we nog wat langer. Met dat tijdschrift hoop ik dan ook een tegenwicht voor ‘beschaafd Indië’ te maken tegen de V.C.-ers, ennesbejers- en andere patsers-sfeer van de Java-Bode. Maar zal het lukken? Ik denk van niet; er zal wel geen geld voor worden gevonden. - En eigenlijk verlang ik er ook wel erg naar om jullie allen terug te zien, inplaats van me hier schrap te zetten tusschen de bangerds tegen de overmacht van koloniale flinkerds. (Natuurlijk zijn er uitzonderingen, wat die bangerds betreft, maar uitsluitend in ‘kleine collecties’ zou Z. zeggen; de ‘groote pers’ is volkomen verkwanseld en heeft alleen ondergrondjes van passief fatsoen, hier en daar.)

Ritman, de fatsoenlijke bangerd v/h Bat. Nwsbl. mutatis mutandis een jongere en koloniale Schilt, is op weg naar Europa. Hij moet ontzettend blij zijn dat hij er net nù uittrok, anders hadden Samkalden en ik nog allerlei beroepen op hem gedaan. Maar hij is niet kwaad en voor Indië nog op zijn manier een ‘fijn’ iemand.

Hij zal je misschien opzoeken in Holland; laat hem dan over Indië (en mij!) uitpakken. O, hij vindt me zoo lastig, maar hij was toch op me gesteld. - Als Z. op je stuk antwoordt, krijg je 't per vliegpost, maar misschien zal hij je ‘versmaden’.

Tot later. Heel veel hartelijks, ook van Bep en aan Ant. Steeds

je

E.

 

Zie ook de geactualiseerde versie van het notenapparaat van de brieven-editie Van Galen Last (1962).

 

Origineel: Letterkundig Museum, Den Haag

vorige | volgende in deze correspondentie
vorige | volgende in alle correspondentie