J. Huizinga
aan
Menno ter Braak

Leiden, 8 december 1935

Leiden, 8. XII. '35

 

W.M.

Wanneer ik toegeef, zooals ik deed, dat er een onopgeloste tegenstelling bestaat tusschen mijn A en mijn B, dan beteekent dit niet dat ik een van beiden herroep, maar integendeel, dat ik ondanks de tegenstelling (of antinomie) beide handhaaf. Dit is, dunkt mij, duidelijk. Wanneer ik dan vervolgens opnieuw mij hetzij op A of op B beroep, bega ik niet de inconsequentie, die je me verwijt, maar blijf volkomen trouw aan mijn vorige uiting. Ook dit schijnt mij duidelijk, zoodat ik je verwijt als ongegrond moet afwijzen.

Binnenkort hoop ik je de, behoudens twee premissen, onloochenbare geldigheid van mijn uitspraak ‘Eere aan den soldaat enz.’ te bewijzen. Het is echter wel mogelijk dat die vierde druk nog wat uitblijft. De uitgever wilde die nu reeds klaar hebben, maar de vraag naar het boekje zal wel ééns ten einde zijn.

Vale,

t.t. J.H.

 

Origineel: Den Haag, Letterkundig Museum

vorige | volgende in deze correspondentie
vorige | volgende in alle correspondentie