R.A.J. van Lier
aan
Menno ter Braak (Rotterdam)

Den Haag, 12 november 1932

Den Haag, 12 November 1932

 

Beste Mijnheer ter Braak,

In de eerste plaats mijn hartelijken dank voor uw briefkaart uit Parijs. Kort daarop werd ik wèer verrast met uw ‘Démasqué’.

Toen ik het in zoo'n keurige uitgave voor mij liggen zag werd ik aan mijn voornemen herinnerd het geheel over te lezen, om tot een totaal indruk te komen.

Er bestond een zeker gevaar voor mij, waarin ik zou kunnen vervallen, om U nu hierover te schrijven, en wel: dat U zooals Nietzsche zoudt kunnen zeggen: ‘Ich horchte auf Widerhall, und ich hörte nur Lob.’ Want toen ik het uit had was de lof het grootst in mij voor de volgehouden waakzaamheid van het verstand en de prachtige bouw der zinnen. Dit werk is zoo dat een tegenstander zijn lof voorop zou moeten stellen voor hij tot de bestrijding kwam van de conclusie van dit essay. Langzamerhand kwam echter mijn weerklank als herinnering bij mij op, zoodat ik U iets meer dan lof hierover kan schrijven.

Wat mij vooral trof was de ontdekking van de ‘révolte’. De diepste waarheden leven aan de oppervlakte, ten nauwste met ons leven verbonden, en juist daarom zijn er zeer scherpe oogen noodig om hen te zien, wij hebben een neiging over de onmiddelijke dingen weg te kijken. De révolte is een van deze waarheden. De révolte als kenmerk van den dichter: instinctief moet ik dit gevoeld hebben toen ik Goethe aan zijn gedicht ‘Prometheus’ ontdekte en belangstelling voor hem kreeg. Overal in het dagelijksche leven ziet men de révolte zich voltrekken: onze ouders die Vrijzinnige Protestanten zijn, kwamen uit orthodoxe families en wij meenen ons nu weer van dit vrijzinnige te moeten ontdoen, - en [terecht] -; overal ziet men dat verschijnsel optreden. Ik kan mij echter niet herinneren het nog ooit zoo als levensprincipe geformuleerd te hebben gezien: In de grond van de zaak is opstand tegen het oude een kwestie van geestelijke mobiliteit. Hoe trager geest, hoe gebrekkiger intellect, hoe minder opstand. Om nieuwe en eigen wegen te gaan moet men zich steeds van iets ontdoen, zich tegen iets verzetten, dit gaat niet zonder uitbarstingen. De intelligentie en de beteekenis van iemand worden inderdaad geheel door zijn verzet en opstand bepaald; naarmate men zich niet onderwerpt beteekent men iets.

Toch geloof ik niet aan de révolte alleèn om de révolte. Op blz. 58 schreef U ‘Tegen den tijd dat men verplicht is in de letterkunde Der Mouw als onaantastbaar te onderwijzen, zal mijn groote liefde naar Leopold uitgaan.’ Dat is iets wat ik niet geloof, als Der Mouw onaantastbaar werd zou U in verzet tegen hem komen, zèker, maar niet om Leopold te vinden; misschien wel iemand geheel anders. Onze pro en contra's zijn toch een te diep ingewortelde kwestie in lijf en geest dan dat de omstandigheden alleen hen zouden beïnvloeden? De révolte heeft ten slotte als positief doel, zichzelf te vinden. Geen revolutie zonder onderdrukking. Als een ouder geslacht op zou houden haar waarheden aan het jongere te leeren, het jongere te benauwen door het anders te willen maken, zou zij misschien wegblijven òf het muitersinstinct zou zich anders uiten. Als wij dingen die ons eigen zijn in het oude geslacht wegwerpen komt dit voort uit een radicale ergernis tegen haar. Gesteld dat ik tot een jongere generatie behoorde en op mijn beurt in verzet kwam tegen uw conclusie dan zou dit niet anders te verklaren zijn dan als blinde ergernis, want al lezend dacht ik dit essay met U mee en verheugde mij over haar uitkomst. Ik schreef net dat ik mij tot uw generatie voelde behooren; toen ik het essay uit had vroeg ik mij - zonder ernst maar wel met nieuwsgierigheid - af of ik tot een jongere generatie behoorde, ja dan neen, en ik zag dat dit niet zoo was niettegenstaande 12 jaren leeftijdsverschil. Als ik ten slotte niet hierbij blijf staan is het omdat men nergens stil staan moet. Bovendien zal het niet meer om kunstopvattingen gaan, maar vooral om het werk van levende menschen. Als men per se een theoretisch uitgangspunt moet hebben dan lijkt mij de conclusie van uw essay een van de vruchtbaarste bases, die men zich denken kan, want ze brengt een kunst zoo dicht bij haar voedingsbron, het leven, dat men ze niet meer van elkaar zal kunnen en willen onderscheiden. Zij wordt de weerspiegeling van gedachte en hart. Met dit essay bent U zelf reeds begonnen uw eigen ideaal te verwezenlijken: waar het verstand een philosophische [koude] zou kunnen krijgen neemt het hart het woord en waar het hart tot sentimentaliteit zou verworden, gaat het verstand weer spreken. Ook dit schrijverstype is mijn ideaal. Het is nu zaak hart en verstand geheel te bevrijden door ze met elkaar aan te drijven, tusschen gevoel en intellect ligt immers een geheimzinnig verband.

Uw essay leerde mij ook voor het eerst rekening te houden met de ‘gravité’ als bedwelmende en verstikkende factor. - Het Coster essay voltooide deze opvoeding - de rest ligt aan mij.- Men kan niet dankbaar genoeg zijn dit jong te leeren vooral in een land als Holland waar zwaarwichtigheid de erfvijand is van allen die denken of schrijven. Deze bestrijding is een van de meest verruimende kanten van uw essay. Misschien zullen in het vervolg de menschen hier, die iets te zeggen hebben, het met een gewoner gezicht doen. Misschien, want ik ben bang dat U met dit essay langs het groote publiek zult heenpraten. Maar dit was toch nooit anders! Aan de eene kant moet een schrijver zelf dankbaar hiervoor zijn; wie weet dit beter dan U, die schreef: ‘het is beter dat niets geregeld en volkomen geschiede’ ook het begrijpen van de massa voor een schrijver niet. Stelt U U eens een nieuwe ‘Woordkunst’ voor op het principe van de ontsluierde schoonheid.

Ook het begrip der eenzijdigheid zal verruimend werken, het zal in staat stellen vrijer te voelen. Iemand staat en valt met de keuze van zijn vrienden, zoo ook met zijn boeken. Het ligt nu aan mij mijn eenzijdigheid te vinden. - Die echter reeds lang zeer sterk instinctief bestaat.-

De inleiding is zeer geestig en heeft alle eigenschappen van een goede inleiding; inlichtend en strijdbaar.

Ik stuur U hierbij een vers. Ik zal Mijnheer Du Perron een rijmbrief terugschrijven zoodra als ik tijd heb. U hebt U zeker kostelijk geamuseerd in Parijs?!

De hartelijkste groeten,

Rudie van Lier

Jeugd
 
Wij hebben alleen maar verlangens en namen.
 
Het liefste meisje blijft zelfs naam.
 
Van landen droomend waar wij nooit kwamen
 
Bezien wij het leven van uit het raam.
 
 
 
Verwondering over wisselende vergezichten
 
Brengt onrust die ons drijft: Naar buiten!
 
Maar wij, die een dagtaak moeten verrichten
 
Laten het gordijn voor de ruiten.-
 
 
 
Misschien zijn wij veel rijker dan wij meenen
 
Al is de kamer klein en moe de taak,
 
Misschien gescheiden blijven beter dan vereenen
 
En laat verovering een wrange smaak,
 
 
 
Maar wie van ons verlangens heeft, laat die zich waken
 
Dat hij de naam niet liever krijgt dan 't leven
 
Zoo steeds de oogenblikken gaat verzaken
 
Om tusschen ‘toen’ en ‘later’ in te zweven.
 
 
 
RvL

Origineel en ontwerp: Den Haag, Letterkundig Museum

vorige | volgende in deze correspondentie
vorige | volgende in alle correspondentie