Premiere van Willem Tell
Een verdienstelijke vertooning van een problematisch stuk

Dezer dagen heeft er in het Weekblad voor Gymn. en Middelb. Onderwijs een zeer vermakelijke discussie plaats gevonden. Een zekere heer M.J. Stijger had het in de onschuld zijns harten gewaagd, in dat Weekblad eenige schertsende en lang niet slechte opmerkingen te maken over ‘de klassieke sfeer’, d.w.z. over het speciale privilege, dat de gymnasia altijd voor zich opeischen; de heer Stijger verklaarde, dat hij nooit precies begrepen had, wat die beroemde ‘sfeer’ nu precies was. De ongelukkige! Nauwelijks waren deze woorden den wal zijner tanden gepasseerd, of een leger van classici viel op hem aan met een zoo verbluffend gebrek aan humor en zooveel philologische donquichoterie, dat het mij, overtuigd voorstander van een klassieke opleiding (voor hen, die er aanleg voor hebben), bang te moede werd voor de toekomst van dit instituut. Blijkbaar kan de ‘klassieke sfeer’ niet eens meer goede ironie verdragen, o Socrates!

Ik breng dit voorval niet alleen in herinnering, omdat die gansche onhumoristische boosheid zoo typisch Schilleriaansch van argumentatie was, maar ook, omdat één der heftigste opponenten van den heer Stijger een citaat van Schiller te pas bracht, dat luidt als volgt: ‘Wenn man auch nur gelebt hätte um den drei und zwanzigsten Gesang der Ilias zu lesen, so könnte man sich über sein Dasein nicht beschweren’. Het pathetische citaat werd den heer Stijger naar het hoofd geslingerd, om hem met een grooten naam te overtuigen van de voortreffelijkheid der ‘klassieke sfeer’, maar mij deed zij een andere overweging aan de hand, en wel de volgende: In hoeverre behoort Schiller werkelijk tot die verwerpelijke, verstarde ‘klassieke sfeer’, waarin men hem alleen nog maar gebruikt om gezwollen citaten uit te putten, in hoeverre behoort hij tot de ‘klassieken’, die ons werkelijk nog iets te zeggen hebben, zooals (alle philologen ten spijt) Homerus, Shakespeare en Goethe? Men weet, dat Nietzsche, die Goethe bewonderde en Schiller niet best kon lijden, het afkeurde, dat men over ‘Goethe und Schiller’ sprak en van meening was, dat alleen ‘Goethe oder Schiller’ de juiste verhouding tusschen beide figuren aangaf. Het feit trouwens, dat men in het Grosse Schauspielhaus te Berlijn onder leiding van Goebbels of Goering ‘De Räuber’ speelt ter meerdere glorie van het nationaal-socialisme, terwijl Jessner ‘Tell’ aankondigt als het speciale drama van de vrijheidsidee, is op zichzelf al een bewijs, dat er in Schiller een goed stuk phraseologie moet steken, waardoor hij meer speling laat voor de interpretatie dan menig ander tooneelschrijver; want wie zal het b.v. in zijn hoofd halen Strindberg te gaan opvoeren als een verheerlijking van den echtelijken staat of Vondel als een pleidooi voor de anarchie? Er is, het kan niet geloochend worden, in Schillers tooneel een zekere onduidelijkheid, die verklaard wordt door zijn voorliefde voor het declamatorische.

Nu ligt er tusschen ‘Die Räuber’ en ‘Wilhelm Tell’ een ontwikkelingsgang van vele jaren. ‘Tell’ verscheen in 1804, even voor de groote vernedering dus, die Napoleon de Pruisen bij Jena en Auerstädt deed ondergaan; een vernedering, die de aanleiding werd tot het ontwaken van het nationale gevoel, waaruit de vrijheidsoorlogen ontstonden. Op dat moment klinken in Duitschland ‘vrijheid’ en ‘vaderland’ tijdelijk ongeveer als synoniemen, daar strijd tegen de onderdrukking en streven naar een nationale eenheid voorloopige bondgenooten worden; men moet dat steeds in het oog houden, als men over dat ietwat confuse begrippenpaar bij Schiller spreekt. Wat tegenwoordig in Duitschland lijnrecht tegen elkaar indruischt, was eens een door de omstandigheden aangewezen, natuurlijke parallel; en zoo zijn er dan eigenlijk twee Schillers, in één persoon vereenigd door de muzikale phrase, de pathetische lyriek en een geringe menschenkennis.

Wanneer Jessner dus zegt de vrijheidsidee in ‘Wilhelm Tell’ op den voorgrond te stellen, verdient dat nadere toelichting. De ‘vrijheid’ van de Zwitsersche kantons is immers niet los te denken van hun nationale volkseenheid, zoodat ook hier de begrippen weer door elkaar loopen. Dat blijkt heel duidelijk uit de rede van Stauffacher op de Rütli, waar zoowel van verzet tegen de tyrannie als van het ‘bloed’, dat de menschen vereenigt, sprake is. Doordat de figuur van den landvoogd Geszler later in het brandpunt van de belangstelling komt, valt het accent weliswaar steeds meer op de verlossing van de dwingelandij, maar het andere accent blijft daarnaast doorklinken. Men zal de theorie van Jessner dus moeten precisseren en er de aandacht op moeten vestigen, dat men in den ‘Tell’ het vrijheidselement niet naar voren kan brengen zonder tegelijk, onwillekeurig, ook de vaderlandsidee te versterken. De opvoering van gisteravond bewees dat trouwens, al voelde men Jessner's regie en haar opzet zeker het sterkst in de groote scène met den appel, die de vrijheidsgedachte belichaamt.

Wat den bouw van het drama betreft: de figuur van Tell is, zooals Jessner onlangs heeft opgemerkt, een afzijdige figuur, in zooverre, dat hij niet het initiatief neemt, eigenlijk ondanks zijn vredelievendheid de symbolische held wordt. De eigenlijke hoofdpersoon is Geszler, het negatief van de Zwitsersche eedgenooten, met wiens dood de tragedie behoorde te eindigen; wat dan nog volgt is een soort rechtvaardiging van Wilhelm Tell, den ‘goeden moordenaar’, naast wien Schiller Johannes Parricida, den moordenaar tegen het goddelijk recht, laat verschijnen. Deze zwakke slotconstructie is een gevolg (zooals meer bij Schiller) van een aarzeling tusschen twee momenten: Tell, het symbool, en Stauffacher c.s., de hoofdfiguren van den opstand. Tenslotte krijgt het Tell-motief de overhand, maar tot schade van de compositie.

Dat de vertooning onder leiding van Jessner en van der Lugt, die naast zeer zwakke plekken ook uitstekende fragmenten te zien gaf, een pleidooi was voor de classiciteit in den goeden zin van Schiller, zou ik niet durven beweren. Eerder was het een voortdurend strijden tegen de bezwaren van den tekst, die misschien nog het meest boeide, waar hij, door toevallige omstandigheden, actueel was of althans actueel aandeed. De associaties met de politieke problemen van den dag zitten nu eenmaal in de lucht en zij laten zich ook uit het theater niet verdringen; men leest daarom in Schiller, wat men van hem verlangt, men zoekt de analogieën en vindt ze dus meestal ook. Deze opvoering had ook zeker eenige werkelijk groote oogenblikken, met als hoogtepunt ongetwijfeld de gemakkelijk te ridiculiseeren en juist daarom dubbel verdienstelijke scène, waarin Geszler Tell wil dwingen zijn zoontje als schietschijf te kiezen. Die scène was voortreffelijk, van individueel spel en van massa-regie; hetgeen beteekent, dat het centrale punt van het drama volkomen tot zijn recht kwam. Vooral in het eerste bedrijf echter waren er heel wat zwakke plekken; men kon daar Schiller niet levend maken en verviel dan in nietszeggende declamatie. Gaandeweg steeg het peil tot de scène met den appel, waarna hier en daar weer kleine inzinkingen optraden. De voor het drama ook zeer belangrijke bijeenkomst op de Rütli, had ook goede qualiteiten; men had m.i. alleen het symbolische muziekje bij het opheffen der handen rustig weg kunnen laten; het werkte banaal, en dat was geheel onnoodig.

Hoe ontzaglijk moeilijk het is, Schiller thans werkelijk te spelen, bleek ook gisteravond weer. Lang niet iedereen had zijn verhouding tot dezen tekst gevonden, en voor dezulken bleek de declamatie dus wel de eenige redding; maar daar stonden eenige knappe rollen tegenover, waaronder in de eerste plaats van der Lugt's Tell. Inderdaad de bescheidene, meer een gedrevene dan een agitator: zoo speelde van der Lugt hem, en met succes. Met name bij de confrontatie met Geszler voldeed deze opvatting bij uitstek goed, vooral waar Annie van Duyn als de kleine Walter Tell uitstekend secondeerde.

De figuur van Geszler heeft zeker een actueelen kant; hij wordt door Schiller geteekend als de sadist, die de bestraffing niet eischt om de straf, maar om eigen pleizier aan de wreedheid van de tuchtiging. Ludger Eringa deed die zijde van Geszler's karakter goed uitkomen, zoodat ook dit tweede belangrijke personage zeker niet te kort kwam. Dit kan men moeilijk zeggen van Elsensohn's Stauffacher, die vlak en karakterloos bleef; die rol ligt Elsensohn blijkbaar niet, hetgeen voor de vertooning een handicap beteekende. Hetzelfde geldt voor Theo Frenkel als Ulrich von Rudenz (een ondankbare rol trouwens); ook hij bracht vrijwel niets persoonlijks in zijn interpretatie. Hoe uitstekend was daarentegen weer Hermann Schwab als de grijze Werner von Attinghausen! Dat was Schiller op zijn best en in den voornaamsten toon! Gimberg als Walter Fürst was weer minder overtuigend, Paul Steenbergen als de jonge Melchtal bijzonder gevoelig en bij momenten sterk. Ik noem nog het als gewoonlijk fijn rolletje van Roemer (pastoor Rösselmann), een goede Hedwig Tell van Coba Kelling en Johan Schmitz als Johannes Parricida, één van de zwakste rollen uit het stuk, waarvan hij zich behoorlijk kweet.

De décors van Veterman en Brückman hadden naar mijn smaak soberder kunnen zijn, minder ingesteld op een naturalistisch berglandschap. In het algemeen trouwens had men zich spaarzamer kunnen betoonen met naturalistische détails; nu was het Alpengluhen wel wat al te ‘echt’.

Alles bij elkaar dus een voorstelling met haar voor en tegen, waarvan men echter de herinnering aan verschillende positieve momenten kon meenemen. Dat de volle Schouwburg er ook zoo over dacht, bewees wel het geestdriftige applaus. Prof. Jessner moest op het tooneel verschijnen en een krans in ontvangst nemen; een hulde, die hij met van der Lugt deelde, onder handgeklap ook van de acteurs.

M.t.B.