Gijsbrecht van Aemstel
De traditie van 1934 bestendigd
Amsterdamsche Tooneelvereeniging

De Gijsbrecht van dit jaar is wat speelstijl en atmosfeer betreft geheel dezelfde Gijsbrecht van het vorige jaar. Waar ik toen uitvoerig over de problemen van stuk en opvoering heb geschreven, zal men mij ditmaal wel vergunnen kort te zijn. Ik heb de opvatting van Defresnes regie destijds reeds zeer geprezen, en het terugzien van het drama in deze conceptie stelt niet teleur, al slaagt m.i. ook Defresne er niet volkomen in de dramatische fouten van het stuk weg te werken door de vertolking. De traditie van Amsterdam ontbeert hier ter stede de soezen en de slemp en daarom gaat men wellicht ook wat nuchterder naar huis; de eerlijkheid gebiedt te zeggen, dat vooral de reeks referaten van het vierde bedrijft (zelfs wanneer men zich zoo voortreffelijk van zijn taak kwijt als ditmaal Ben Royaards in de rol van Arent van Aemstel) veel van den toeschouwer vergt zonder dat hij zich voor de moeite al te zeer beloond vindt. Vondels hoogtepunten blijven m.i. toch de reien, die dank zij de werkelijk ideale soberheid van de regie en de voortreffelijke declamatie van Willy Haak een maximum van effect bereiken; men luistert in de duisternis naar de poëzie en vergeet, dat er ook nog een oneigenlijke dramaschrijver en slecht psycholoog heeft geleefd, die Vondel heette. Want naast de zeldzame schoonheid der lyrische gedeelten, en met name der reien, trof mij telkens gisteravond weer het simplistische schema, waarop dit alles is opgetrokken: een hulde aan Amsterdam, een herinnering aan Virgilius, en menschen die het essentieele van menschelijk leven, n.l. de innerlijke tegenstrijdigheid van het karakter, volkomen missen. Misschien is het een groot voordeel van de traditie, dat men ieder jaar weer gelegenheid krijgt om zijn eigen overwegingen aan den kapstok Gijsbrecht op te hangen....

Van Dalsum speelde ook thans den Gijsbrecht met bezieling, evenals Charlotte Köhler haar zeker niet conventioneele Badeloch, die dank zij haar spel meer psychologische diepte krijgt dan de tekst geeft. Bijzonder op dreef was Ben Royaards in zijn verslag als Arent van Amstel; de rol schijnt sedert verleden jaar nog aanzienlijk aan overtuigingskracht te hebben gewonnen en laat nu den bode van Sternheim verre achter zich. Ben Groenier als Vosmeer is zeer aannemelijk en Van Warmelo verzorgt met genegenheid zijn pater Willebord. Tourniaire had ditmaal Frederik van Haarlem te spelen en deed dat zeer correct, zonder overigens Van Gasterens creatie van 1934 te overtreffen; van Paul Storm als Egmont ging niet veel uit, Frits van Dijk gaf Broer Peter zuiver en bescheiden en Chapelle was ook ditmaal weer een Gozewijn van Aemstel, die bij alle waardigheid ook iets verloopens suggereerde; ten onrechte. Carpentier Alting als de heer Van Vooren was wat stijf. Over de oplossing van het reienprobleem en de stem van Rafaël (Max Croiset) kan, dunkt mij, geen verschil van meening bestaan: in beginsel is dit immaterieel houden van de voordracht door de uiterste soberheid van het spreken zonder meer een moeilijk te overtreffen interpretatie.

Mathieu Wiegman ontwierp, gelijk bekend, de decors voor deze voorstelling in een romantischen, maar tegelijk beheerschten stijl.

Als bijdrage voor de sociologie van de Gijsbrecht-opvoeringen diene, dat gisteren de zaal slecht bezet was en de ‘hoogere’, d.i. lagere rangen stampvol waren. Wellicht kan men uit deze verdeeling conclusies trekken; want boven zitten vaak de ware tooneelminnaars, die Van Dalsum gewoonlijk niet in den steek laten. Het applaus was zeer hartelijk en langdurig.

M.t.B.