Tijdschriften

Onze Taaltuin

Stijl- en literatuurgeschiedenis heet het opstel van prof. G.S. Overdiep, waarin hij concludeert, dat men ‘de subjectiviteit, die men vreest bijxxx beroep op de litteraire vormen zal moeten afschudden.’ En de schrijver vleit zich ermee, dat dit zal kunnen geschieden door ‘training in het gebruik en door opbouw van een wetenschappelijk stijlkundig apparaat.’

B. Tiecke vraagt zich af: ‘Waar komen “fraai” en “mooi” vandaan?’ Prof. Van Ginneken heeft de Nederlandsche litteratuur in vier denkvormen verdeeld en komt daarmee aardig uit. Het ‘wille-denken’ (een uitvinding van dezen geleerde) doet hierbij ook weer een dansje. Ik kan het niet helpen, maar met al zijn geleerdheid blijf ik prof. Van Ginneken een onleesbaar auteur vinden, die met zijn feiten geen raad weet.

Van de overige bijdragen vermeld ik een artikel van Th. Schlichting, waarin hij zonder pardon verzen uit Vondels Lucifer uiteenrijt, onder het voorwendsel, dat dit der philologie van nut kan zijn. Ik vraag mij af, welke philoloog later den heer Schlichting weer uiteen zal rijten. Deze wetenschap is een gevaarlijke vorm van monnikenwerk.

 

M.t.B.