Tijdschriften

De Gids

Onder een vernieuwde redactie en in een nieuw lettertype, dat het heel goed doet, verschijnt thans de Gids van Januari. Wij zijn er benieuwd naar, hoe de redacteur Anton van Duinkerken zijn taak in dit voor hem wel onwennige gezelschap zal opvatten.

In de ‘Stemmen uit de Redactie’ worden o.m. de Rumor in casa Kantiana en het Oera Linda Bok besproken, Johan Fabricius vervolgt zijn roman In Napels hongeren zestig leeuwen.

Na oorspronkelijke poëzie van G.J. van Geuns en Louis de Bourbon vinden wij een gedocumenteerde studie van K.F.O. James over de naderende volksstemming in het Saargebied. H.S.M. van Wickefoort Crommelin overziet het probleem Japan en betoogt, dat de Pacific-politiek van groot allure is.

‘In Amerika zijn indertijd millioenen afdrukken verspreid van een aan den toenmaligen Japanschen premier Tanaka toegeschreven memorie over een “geheim plan van Japan tot verovering van China, de Ver. Staten en de overige wereld”. Men moest zoo groen zijn in de buitenlandsche politiek als de gemiddelde Amerikaan om onder den indruk te komen van zulke fantastische denkbeelden. Toch droomt de maritieme partij in Japan van de stichting van een groot rijk, omvattende de heele keten van eilanden tusschen de Japanse Zee en Australië: de Philippijnen, de mandaat-eilanden (Marianen, Carolinen en Marshall archipel), Guam, Nieuw Guinee en zelfs Hawai, welks talrijke Japansche ingezetenen de inlijving door president Cleveland in 1897 nooit goed hebben verduwd. De Japanners zwermen naar alle kanten uit; hun handelaars verdringen Engelschen, Amerikanen, zelfs Chineezen; hun handelswaren bieden ze zelfs den tegenvoeters goedkooper, fraaier, straks ook degelijker dan de hunne. Alle vreemde mededinging uit Oost-Azië verdrijven, de Oost-Aziatische wateren beheerschen, samenwerken met krachtige vazalstaten in China – dat ongeveer is het doel van de chauvinisten in Japan.’

Anthonie Donker schrijft over Der Hass van Heinrich Mann. Wij bespraken dat boek hier ter plaatse onlangs en hebben er op gewezen, dat Mann als historicus te kort schiet, maar dat zijn toon absoluut oprecht is. Het behoeft echter geen verbazing te wekken, dat voor den altijd objectieven en altijd waardigen Donker die toon veel en veel te heftig blijkt te zijn. Hij kan zich al niet meer voorstellen, dat men heftig reageert op wat ook, hij vindt het evenmin gentlemanlike, dat Romain Rolland een telegram van bewondering aan Dimitrof heeft gezonden, kortom: Anthonie Donker is rijp voor de Volstrekte en Onbewegelijke Gerechtigheid. In zijn artikel spaart hij weer kool en geit (sicut suus est mos) zoodat men hem niets kwalijk neemt dan zijn bleeke neutraliteit. Honderd maal liever dan dit welverzorgd academisch gewiegel is mij een openhartig fascistisch betoog; men weet dan tenminste, waar men aan toe is.

A.M. Hammacher bespreekt het werk van Renoir. Elisabeth de Roos geeft in haar uitmuntende ‘Kroniek der Fransche letteren’ de volgende karakteristiek van F. Céline: Voyage au Bout de la Nuit: ‘Bij Céline is er een probleem; alleen is deze schrijver intellectueel zoo ongenuanceerd, dat het zich tot een kreet of een toon van een stem laat reduceeren. Het verhaal wordt verteld door een gerevolteerde, een dokter die in den oorlog op een onschadelijke manier “onwijs” geworden is, die door Amerika en Afrika zweeft en weer terugkomt in Parijs om in het laatste hoofdstuk toeschouwer te zijn van een moord door een vrouw op zijn vriend gepleegd, 's nachts in een taxi. Het boek heeft zonder twijfel de kracht van een overtuiging; het heeft ook de fout van een redenaarseffect dat zijn doel mist. Het is zeshonderd bladzijden lang in een volkschen toon geschreven, met de ruwheid daarvan, maar ook met de defectueuze en hopeloos omslachtige syntaxis van het volk. De opstandigheid, eigenlijk meer nog de weerzin van Céline lijken zoo echt, en bovendien zoo gegrond, dat men in een korten roman ieder stijlprocédé aanvaard zou hebben. Bij de lengte die het boek heeft, is het misschien theoretisch nog verdedigbaar, maar in werkelijkheid zoo geforceerd dat ook de echtheid van den schrijver er betwijfelbaar door wordt. Het lijkt of Céline koppig en blindelings in een zelfbegoocheling geraakt is; zoekend naar een verteltoon die den weerzin en de wanhoop niet alleen zou weergeven maar zou zijn, en terechtkomend in een litteraire trucquage. Een onmiskenbaar plastisch talent, oogenblikken van verwoede zeggingskracht, elders weer opgeheven door dik-schilderachtige effecten en de gemakkelijkheid van een ongenuanceerde, egaal en breed uitgemeten platvloerschheid. Schadenfreude over eigen ontgoocheling en een picareske verschuiving van situaties en decors verdrinken in een stijl die rhetorisch wordt van eentonigheid. Triest einde van een verbittering die door de stof van het boek toch volkomen gerechtvaardigd wordt, van intransiganten tegenzin in iedere manifestatie van het leven, want het leven laat toe dat de tegenwoordige mensch, die bovendien niet meer hopen kan, reddeloos en machteloos slachtoffer van maatschappij is.’

Verder ‘Musicalia’ van E.W. Schallenberg en bibliographie.

Een uitstekend nummer, waarmee men de nieuwe redactie mag feliciteeren.

 

M.t.B.