Herdenkingen van Jakob Wassermann

Twee oordeelen uit verschillende kampen

De dood van Jakob Wassermann is in alle landen met blijken van deelneming ontvangen. Dat de waardebepalingen zeer uiteenloopen, spreekt haast vanzelf. Wassermann heeft, als stylist in het algemeen en later door zijn positie als Jood, die Duitsch schreef in het bijzonder, uiteraard verschillende reacties uitgelokt.

De emigrant aan het woord

Emil Ludwig herdenkt hem in Marianne: ‘Als men hem voor het eerst ontmoette, maakte hij in het geheel niet den indruk van een dichter; door zijn gebombeerde voorhoofd, den zetel van diepe gedachte, die hem zijn gansche leven lang het lichaam hadden doen verwaarloozen, leek hij meer op een denker. De nonchalance van zijn kleeding zelfs was niet die van een dichter, maar wél was het zijn zwijgen, zijn overwogen houding, en vooral die verandering van zijn gelaatstrekken, als hij van zijn plannen sprak.’

‘Hij had den hartstocht God te willen nabootsen, menschen te scheppen, hen tegenover elkaar te stellen in een opeenvolging van gebeurtenissen – gelijk de Schepper, alleen menschen. De dieren, de planten en de natuur namen hem zelden in beslag en nooit verbeeldde hij hen met een gevoel van bevrediging.

Zijn groote voorbeeld waren niet de Russen, van wie hij alles geleerd heeft. Het was Balzac, en als ik mij niet vergis, voelde hij zich gevleid, als hij gelijkenis ontdekte in zekere trekken en in “corpulentie”. Met Balzac heeft hij de overdadigheid en de bontheid gemeen, de handeling zonder philosophie, maar ook de innerlijke eenheid van zijn werk.

Hij doet eveneens aan Balzac denken door zijn gespannen werklust; want Wassermann was waarschijnlijk de productiefste auteur van onzen tijd. Hij liet mij, toen hij gedurende den oorlog zijn Christian Wahnschaffe schreef, een dik dossier zien en zei: “Dat heb ik allemaal uit mijn manuscript weggewerkt.” Zijn verantwoordelijkheidsgevoel ten opzichte van zijn werk was onbegrensd.’

‘Deze man, die zooveel subtiele liefdesscènes heeft beschreven, was verteederend onhandig, als hij iemand aangenaam wilde zijn. Eens zag ik hem, in zijn tuin in de bergen, een roos plukken en die aanbieden aan een mooie vrouw; toen begreep ik ook de grenzen, die de Voorzienigheid hem had gesteld; want zijn visioenen scheidden hem van wat men het werkelijke leven pleegt te noemen.’

‘Omdat hij boven alles gevoel voor rechtvaardigheid bezat, een gevoel, dat al zijn werken doorlicht, was hij bijzonder geschokt door de vervolging der Joden en der democraten. Op een verzoek om zich te sauveeren door een “verklaring van loyaliteit” schreef hij een prachtig antwoord. Een “verklaring” had zijn werk veilig kunnen stellen, waarvan later een deel officieel verboden werd; hij had aldus de basis van zijn bestaan kunnen redden, zooals de lafheid en de hebzucht andere Duitsche schrijvers redden.

Wassermann aarzelde niet, want hij was zijn heele leven waarachtig geweest. Maar toen ten slotte zijn uitgever, aan wien hij zich gedurende zijn gansche bestaan verbonden had gevoeld, hem in den steek liet, toen kreeg zijn klacht een bitteren toon.’

‘Wij beweenen hem: hij was intelligent, mannelijk en oprecht en hij hield zich niet voor onfeilbaar.

Wij beweenen hem: hij was de grootste onder de Duitsche romanschrijvers van zijn tijd...’

Het officieele Duitschland oordeelt

Heel anders klinkt natuurlijk het In Memoriam van de Literarische Welt, de officieele spreekbuis der huidige Duitsche litteratuur.

‘Op den laatsten dag van het jaar 1933 is Jakob Wassermann op den leeftijd van 60 jaar gestorven. De Joodsche afstamming van den dichter, zijn geestelijk liberalisme, zijn gevoeligheid voor libertijnsche en marxistische gedachten, de overschatting, waarmee een onverantwoordelijk geslacht van critici hem bedeelde, dat het waagde den naam van deze romanschrijver in één adem te noemen met Balzac en Dostojewski, maken in deze tijd van geestelijk defensief tegen ontwortelde critiek en geciviliseerd literatendom een zakelijke waardeering van zijn beteekenis als auteur moeilijk. Maar het gaat niet aan, zijn werk gelijk te stellen b.v. met de leugenachtige gezwollenheid van Arnold Zweig of de knoeierige Kitsch van Lion Feuchtwanger. Want hoe ver Wassermann ook verwijderd moge zijn van het levensgevoel en het stijlbesef van het jonge Duitschland, hij was een fatsoenlijk talent, dat zich met eerlijke middelen en gedegen arbeidslust uit een slechte en verlitteratuurde jeugdperiode opgewerkt en de gezwollenheid van dat jeugdwerk overwonnen had. In een tijd van winderigheid en goedkoope sociale tendensromans verdienden de eerlijke vlijt en de taaie arbeid van Wassermann op zichzelf respect...’

‘In tegenstelling tot de tendenties van een Heinrich Mann of Arnold Zweig, van een Leonhard Frank of een Ernst Gläser, is bij Wassermann de wil tot zakelijke doordringing van de tijdatmosfeer en van haar menschen aanwezig, ook al blijft hij dan binnen de grenzen die Wassermann, vanwege de liberale vooroordeelen zijner generatie en zijn eigen sentimentalität, in botsing brengen met zichzelf.’

De schrijver van dit artikel, Joachim Wecker, meent verder, dat Wassermann in de romanfiguur Kerckhoven de Marxistische dwalingen laat boeten en geeft toe, dat de overledene steeds ‘onaantastbaar redelijk’ was. Mijn bij Wassermanns geuite meening, als zou er tusschen dezen temperamentvollen Joodschen auteur en de nationaal-socialistische ideologie eigenlijk meer verwantschap bestaan dan men gewoonlijk denkt, wordt door dit oordeel van Wecker typisch bevestigd. De fundamenten van mystiek en religiositeit zijn vrijwel bij beide partijen gelijk, en het verschil betreft hoofdzakelijk het ras en de politieke programpunten. Wecker besluit zijn artikel met een paar karakteristieke regels, die Wassermann zeker beter typeeren dan de overdreven herdenking van Ludwig:

‘Wassermann is, artistiek gesproken, daar het sterkst waar hij zich een beperkt doel gesteld heeft; in de novelle en in de navertelling van historische feiten volgens de bronnen. In zijn groote tijdromans is hij zich meestal te buiten gegaan; zijn problemen waren grooter dan zijn visioenen, en wat hem aan poëtische vormkracht ontbrak, heeft hij maar al te vaak door psychologisch gepraat meenen te moeten vergoeden. Soms ook glijdt zijn fantasie af naar de colportage en zijn vormgeving wordt dan bioscoopachtige uiterlijkheid. Ondanks deze grenzen van zijn kunnen was Wassermann zeker zoomin een vervalscher als een zelfingenomen charlatan, maar een behoorlijke schrijver, die misschien te dikwijls zijn grenzen overschreed. Maar is er een sympathieker tekortschieten dan een tekortschieten door een te hoog opgevoerden wil?’

En ook dezen laatsten regel zou men, evengoed als op Wassermann, op de huidige Duitsche litteratoren kunnen toepassen, ware het niet, dat zij zoo hevig overtuigd waren van hun Arische Messiastaak...

Stemmen uit Praag

Die Welt am Wort (Praag) heeft [e]en groot deel van haar kolommen aan de nagedachtenis van Wassermann gewijd, Paul Eisner herdacht hem in een hoofdartikel, waarin hij Wassermann kenschetst als een ‘Genius des gesellschaftlichen Gewissens’, als den Duitschen Emile Zola van de ‘justice’ en ‘j'accuse’. ‘Deze volstrekte burger quand même is een maatschappeljke revolutionnair langs den omweg van een niet geformuleerden, maar doorleefden stelregel, die zou kunnen heeten: Sustitia index regnorum, judex societatis.’

Elders in het nummer vinden wij een brief van Wassermann uit 1926 afgedrukt over situatie der hedendaagsche jeugd, waarin merkwaardige dingen gezegd worden over den toestand der wereld.

‘In de jaren 1880 tot 1900 was het niets bijzonders jong te zijn. Men kon er niet op pochen, dat men jong was, men mocht zich daar niet eens op beroepen... Meent gij niet (de geadresseerde is de redacteur Willy Haas), dat een zeker ressentiment in vele vijftig- en zestigjarigen daardoor wordt verklaard, vooral wanneer ge tegenover de herinnering aan die kleinburgerlijke anonimiteit de situatie stelt, waarin de jeugd bepaald partij is, tegenstandster, vijandelijk leger?’

Men vindt verder bijdragen van Thomas Mann en anderen, benevens een hoofdstuk uit Wassermanns nog ongepubliceerden laatsten roman Joseph Kerkhovens dritte Existens. Het fragment maakt het waarschijnlijk, dat dit laatste werk den stijl van dezen veel omstreden en in ieder geval belangrijken auteur nog eens zal samenvatten.

 

M.t.B.