Epiloog bij Hadewijch

Antwoord aan briefschrijvers

Het merkwaardige van couranten- en tijdschriftartikelen is, dat zij altijd een andere reactie uitlokken dan men verwacht. Zoo had ik allerminst verwacht, dat mijn artikel over Hadewijch, naar aanleiding van het boek van mej. Van der Zeyde (avondbl. van 17 Febr. j.l.), een vloed van brieven zou ontketenen, die tot nog toe alle vloeden naar aanleiding van mijn artikelen in Het Vad. overtreft; het lijkt mij daarom aangewezen om met een enkel woord op die bespreking hier ter plaatse nader in te gaan.

In de eerste plaats wil ik, hoe overbodig het misschien ook moge klinken, er den nadruk op leggen, dat mijn artikel over het boek van mej. Van der Zeyde voor een dagblad werd geschreven. Dit naar aanleiding van sommige briefschrijvers, die mij verwijten of vriendelijke aantoonen, dat ik niet volledig ben geweest in mijn opgave van de bestaande Hadewijch-litteratuur. Tegenover hen stel ik hier ten overvloede nog eens vast (in mijn artikel kan met het trouwens ook lezen), dat de aanleiding, die mij er toe bracht het werk van mej. Van der Zeyde in een artikel naar voren te brengen, ligt in het feit, dat het boek in quaestie meer is dan alleen een verdienstelijke dissertatie. Het zou niet op mijn weg als dagbladcriticus hebben gelegen een zuiver wetenschappelijken arbeid zoo uitvoerig te gaan behandelen; dat ik het deed (en de belangstelling bewijst, dat het artikel in ieder geval weerklank heeft gevonden), was het gevolg van de algemeene, voor een grooter publiek dan uitsluitend wetenschapsmenschen belangrijke conclusies, die mej. Van der Zeyde uit de persoonlijkheid en de poëzie van Hadewijch trekt. Zij is er m.i. in geslaagd deze figuur in de sfeer van het hedendaagsche probleem te belichten, de middeleeuwsche mystiek op grond van interessant materiaal in verband te brengen met verschijnselen als hallucinatie en erotiek, het poëtische element in Hadewijch te toetsen aan tegenwoordig in omloop zijnde begrippen over poëzie. In mijn bespreking valt dan ook de nadruk op dezen kant van mej. Van der Zeydes boek.

Dat ik desondanks natuurlijk even den wetenschappelijken kant van het vraagstuk moest aanroeren mag geen aanleiding geven tot de gevolgtrekking, dat ik een wetenschappelijke verhandeling heb willen schrijven. Ik sta op het standpunt, dat een referaat over een boek in een dagblad (en zeker onder de kunstrubriek) zich niet in specialisatie mag verliezen. Het spreekt vanzelf, dat bij een dergelijke behandeling van een boek gemakkelijk onrecht wordt bedreven tegenover de volledigheid; maar dat is een haast onvermijdelijk gevolg van de omstandigheden.

Nu men echter van verschillende zijden mijn aandacht vestigt op het voorbereidend werk, dat verricht is door dr. Johanna Snellen in haar uitgave van de Liederen van Hadewijch (Amsterdam 1907), wil ik gaarne van deze gelegenheid gebruik maken om die uitgave hier te noemen. Het probleem Hadewijch is niet met mej. Van der Zeyde uit de lucht komen vallen, zooals ik trouwens reeds heb aangegeven door het werk van Van Mierlo te vermelden. Ik moet hierbij echter dadelijk aanteekenen, dat de inleiding, die mej. Snellen bij haar uitgave heeft geschreven, als document van psychologische en ook litteraire waarde niet te vergelijken is met de studie van mej. Van der Zeyde. Mej. Snellen blijft, hoe eerlijk zij ook poogt Hadewijch te verstaan, veel meer dan mej. Van der Zeyde bevangen in de traditioneele voorstellingen, die over de mystiek in omloop zijn. Zonder dus ook maar iets op de wetenschappelijke beteekenis van haar werk te willen afdingen, en onder verwijzing naar wat ik over de dagbladcritiek in het algemeen heb gezegd, moet ik er bij blijven, dat het boek van mej. Van der Zeyde in dezen geheel andere verdiensten heeft dan dat van haar voorgangers. Inmiddels heeft dr. J. van Mierlo S.J. zich in de Brusselsche Standaard reeds aangegord om de opvattingen van mej. Van der Zeyde te bestrijden. Het spreekt vanzelf, dat de heer Van Mierlo het niet aangenaam vindt ‘onbegrijpelijk verkeerde opvattingen over het Katholieke Christendom’ te hooren verkondigen en dat hij er wat voor over heeft Hadewijch te reserveeren voor zijn kerkgenootschap; volgens hem staat mej. Snellen ‘in hare bescheiden, pretentielooze en oprechte waardeering veel dichter bij Hadewijch dan mej. Van der Zeyde.’ Hetgeen mij een apodictische bewering lijkt. Zal de heer V. Mierlo beslissen, aan wie Hadewijch den innigsten vriendschapskus zou hebben gegeven? Het komt mij voor, dat het van meer belang is vast te stellen, wie van beide dames het best aannemelijk heeft kunnen maken, welke waarde Hadewijch heeft voor ons, die minder geïnteresseerd zijn bij een objectieve, maar levenloos opgeborgen Hadewijch dan bij een subjectieve, maar met intelligentie geïnterpreteerde Hadewijch; de laatste verhouding behoeft volstrekt niet op onwetenschappelijkheid te berusten. Dr. Van Mierlo moge zich bevoegd achten een objectieve Hadewijch te bezitten (daarover laat zich op grond van zijn principes wellicht niet eens met hem strijden), wij zijn er mej. Van der Zeyde erkentelijk voor, dat zij, desnoods met de tekortkomingen, die iedere ietwat drieste theorie aankleven, de figuur van de middeleeuwsche dichteres met een zoo persoonlijk accent heeft behandeld.

 

M.t.B.