Nieuwe uitgaven

Aug. Heyting, Het Germaanse Midwinter-zonnewendefeest – G. Niessen, Delft.

Over dit onderwerp in den titel vermeld en nog vele andere wetenswaardigheden betreffende de kelto-germaansche studie, heeft de heer Heyting een boekje geschreven, waarin men naar hartelust kan grasduinen, teneinde zijn kennis van deze moelijke zaken te verrijken. Ik heb slechts eenige kleine bezwaren tegen de uitgave van den heer Heyting. Vooreerst de zeer slechte illustraties; vervolgens het wat al te uitvoerig citeeren van eigen werken, waardoor dit boekje half een copie is van 's dichters Yggdrasil, en ten derde de niet altijd wetenschappelijk verantwoorde bewijsvoering van den auteur, die hier en daar het Oera Linda Boek in herinnering brengt. Getuige deze, overigens voor den Hagenaar zeer instructieve passage:

‘Het fraaie Den Haag, de Freia der steden, dat de eiber voert in het wapen met de tot paling verworden slang in de snavel, staat dus (deze conclusie slaat natuurlijk op een hieraan voorafgaand betoog. M.t.B.) onder haar patronaat, evenals het franke volk der Friezen, Freia's en vrijheids zonen; het is, naar wij gezien hebben, niet vreemd, dat een kustvolk als de Friezen zich noemden naar de Vanin Freia, Vanabrudr. Bij de Vijverberg(burg) werd zij vereerd, nog in laat-Christelike tijd vertoonde zich daar een witte vrouw; in het toenmalige woud was haar heiligdom, zoals nog spreekt uit de naam “Den Haag”; van daaruit regeerden de Bataafse priesters en priesteressen en daar ook had de plechtigheid plaats van het besluit tot opstand onder Claudius Civilis. Evenmin is het verwonderlik, dat wij vlak daarbij vinden de Veenestraat, waarin nog het woord Vane is te herkennen. Freia was de Vanin of Vanes bij uitnemendheid en heette ook Fenussin; er lijkt mij onlochenbare verwantschap met de naam der Zuidelike liefdegodin Venus. Wellicht is de Wagenstraat de oorspronkelike oprijlaan naar het heiligdom geweest.’

De laatste conclusie vooral lijkt mij te gewaagd om niet geniaal te zijn.

 

M.t.B.