Nieuwe uitgaven

Shakespeare's Sonnetten, vert. door Albert Verwey (C.A. Mees, Santpoort 1933).

Albert Verwey heeft in zijn beheerscht en voornaam Nederlandsch, Shakespeare's bekende sonnetten, die dikwijls om hun vorm en inhoud stof tot discussie hebben opgeleverd, vertaald of liever nagedicht; zij hebben in een zeer verzorgde uitgave van de firma Mees het licht gezien. Verwey zegt in zijn inleidend woord:

‘De onderwerpen van Shakespeare's Sonnetten zijn liefde en vriendschap. De hoogste vorm van liefde is hem vriendschap, de lagere zinnelijkheid. Evenzoo is de hoogste schoonheid hem de innerlijke, de lagere, die van het uiterlijk. Alles wat op die vier vormen betrekking heeft, werd door hem beleefd en uitgesproken. Onmiddellijk beleefd als onmiskenbare werkelijkheid en onmiddellijk uitgesproken met evenveel hartstocht als gracie. Hij zelf, de blonde jongeling, en de donkere vrouw worden zichtbaar, tastbaar, zelfs met de omstandigheden, die hen omgeven.’ Volgens Verwey doet de orde der sonnetten, die niet geheel vaststaat, weinig ter zake, omdat de grondgedachte de eenvoud zelf is. Ik geef hier, als specimen van deze zorgvuldige en dichterlijke vertaling, ter vergelijking het eerste sonnet van Shakespeare naast de vertaling van Verwey:

 
From fairest creatures we desire increase,
 
That thereby beauty's rose might never die,
 
But as the riper should by time decease,
 
His tender heir might bear his memory:
 
 
 
But thou, contracted to thine own bright eyes,
 
Feed'st thy light's flame with self-substantial fuel,
 
Making a famine where abundance lies,
 
Thyself thy foe, to thy sweet self to cruel.
 
 
 
Thou that art now the world's fresh ornament
 
And only herald to the gaudy spring,
 
Within thine own bud buriest thy content
 
And, tender churl, mak'st waste in niggarding.
 
 
 
Pity the world, or else this glutton be,
 
To eat the world's due, by the grave and thee.

Verwey:

 
Uit schoonste schepsels wenschen we ons een spruit,
 
Dat daardoor schoonheids roos ons nooit begeef,
 
Doch als het rijpre zijn bestaan besluit
 
Zijn heugnis in zijn teedere afkomst leef.
 
Maar gij, verpand aan 't licht van eigen oogen,
 
Wilt dat die vlam uzelf als brandstof eet;
 
Uw overvloed, tot schaarschheid weggezogen,
 
Bestrijdt uzelf, voor uw zoet zelf te wreed.
 
 
 
Gij, die nu 's werelds frissche sieraad zijt,
 
Van kleur'ge lente de eenige heraut,
 
Bergt in uw eigen knop uw zaligheid.
 
En spilt uzelf in gierig zelfbehoud.
 
 
 
Heb meelij met de weerld: eet niet geheel,
 
Gij en het graf, het haar behoorend deel.

M.t.B.