Stefan George en Albert Verwey

Herinneringen aan een vriendschap
De dichter en zijn kring

Albert Verwey, Mijn verhouding tot Stefan George (C.A. Mees, Santpoort, 1934).

Toen onlangs de Duitsche dichter Stefan George overleed, is van alle zijden weer getracht deze typische priestergestalte te begrijpen in het licht van de Poëzie, of in het licht van zijn tijd. De verhouding, die men tot George heeft, wordt bepaald door de verhouding, die men tot de poëzie als zoodanig heeft. Schrijft men het woord ‘poëzie’ met een hoofdletter, dan zal men ook geen oogenblik kunnen twijfelen aan de waarde van de volstrekte, bijna heilige afzondering van Stefan George temidden van een steeds banaler, steeds vulgairder wordende wereld. Is men er meer op uit, den mensch achter den dichter te zien, dan zal men geneigd zijn ook die hiëratische allures van George te beschouwen als een van de vele pogingen, die menschen doen om zich te beveiligen tegen de vergankelijkheid van het leven; in dat geval ziet men George als een symptoom van een geestesperiode, die, reageerend op de democratische vervlakking van de maatschappij, aristocratische afzondering nog wilde beschouwen als een teeken van uitverkorenheid.

In ieder geval was de houding van Stefan George tegenover de maatschappij niet halfslachtig. Of men in die houding het element comedie dan wel het element priesterlijke eenzaamheid het sterkst wil accentueeren, het is een feit, dat het geheele leven van George een consequente tendentie naar een vorm van geestelijk leven vertoont. ‘Neemt men eenmaal aan, dat hij het dichterschap als een priesterlijke functie en het gedicht dus als een priesterlijk gebaar opvatte; ziet men er verder van af, dat hij daarmee de intenties van Nietzsche volkomen verkeerd interpreteerde en juist dat bereikte, wat zijn leermeester verafschuwd zou hebben, dan blijft over een dichter, wiens phenomenale plastische vermogens geen oogenblik in twijfel getrokken mogen worden, en een mensch, die getoond heeft de zuiverheid van zijn beginselen boven alles te stellen.’ Aldus schreef ik bij George's dood (Avondbl. van 8 Dec. '33). Die consequente toewijding aan het dichterschap heeft zich, men zal het zich herinneren, o.m. ook geopenbaard in de vorming van een kring van ‘discipelen’, in de uitgave van het tijdschrift ‘Blätter für die Kunst’, en zelfs in een compleet ritueel, dat de uitzonderingspositie van het dichterschap moest symboliseeren.

In deze uiterlijkheden is ongetwijfeld zeer veel, dat grenst aan snobisme en aanstellerij. Het is tegenwoordig niet wel meer mogelijk, het standpunt van George's ‘geestesbiograaf’, Friedrich Wolters, te deelen, die den dichter in de overdrevenste bewoordingen heeft bewierookt. Met allen eerbied voor George's poëzie zal men de scherpste critiek niet kunnen sparen om achter het ‘geheim’ te komen, dat Stefan George en zijn kring aan het oog der profane menigte tracht te onttrekken. De hooge hoed, de plechtige jas en de gestyleerde das behoeven ons althans niet meer te imponeeren.

George en Verwey: overeenkomst en verschil

Voor de kennis van George's leven en werken is het pasverschenen boekje van Albert Verwey van veel belang. Verwey heeft George van nabij gekend en heeft herinneringen aan hem uit de jaren, die liggen tusschen 1895 en 1928. De omgang der beide dichters werd telkens afgebroken door perioden, waarin zij elkaar niet zagen; zelfs is, voornamelijk door het verschil in standpunt tegenover het nationalisme en den wereldoorlog, de vriendschap later aanmerkelijk bekoeld. Maar Verwey heeft George toch zoo intiem gekend, dat hij beschouwd mag worden als een der betrouwbaarste getuigen. In den tijd van hun vriendschappelijken omgang hebben zij zich samen laten teekenen door Toorop; een reproductie van die teekening vindt men in het boekje opgenomen, evenals een curieuze foto van George en zijn intimi, waarop Karl Wolfskehl, Alfred Schuler, Ludwig Klages en Verwey zelf om de meester zijn gegroepeerd; een uniek document van dichtergezichten!

Verwey is ook daarom zeker een betrouwbaar berichtgever, omdat hij (zooals meer Tachtigers op lateren leeftijd) met pijnlijke nauwkeurigheid en zonder veel gevoel voor humor tegenover de feiten zijn verslag uitbrengt. Ieder wandelingetje, ieder thema van gesprek wordt met zooveel besef van verantwoordelijkheid genoteerd, dat men zich wel eens afvraagt, of de toon niet wat al te plechtig is tegenover deze details van het leven. Men is, de gansche stijl van Verweys boekje verraadt het, ‘met dichters onder elkaar’, en ook nu nog verantwoordt Verwey zich eigenlijk alleen voor dichters en hun bewonderaars. Vandaar het ontbreken van de humoristische noot. De critiek die Verwey op George uitoefent, betreft zeker niet zijn dichterschap en evenmin de positie van dat dichterschap tegenover de maatschappij; in dit opzicht zijn deze twee personen inderdaad volkomen verwante zielen. Het verschil openbaart zich pas daar, waar het temperament van den tot ‘drillen’ geneigden George en van den cosmopolitischer georiënteerden Nederlander Verwey het samengaan bemoeilijkt. In den grooten oorlog, die voor George een bijna apocalyptische beteekenis had, wordt de vervreemding dan ook een voldongen feit. De opvatting, die in Georges kring omtrent den oorlog heerscht, sprak toen duidelijk door het woord van Wolfskehl: ‘Wir haben ihn nicht gewollt, aber er ist von Gott’. Voor Verwey daarentegen was, naar zijn eigen woorden, de oorlog ‘niet meer dan een oppervlaktebeweging, in niets vergelijkbaar met het dieper en kostbaarder leven van geest en dichtkunst’. Zoo geraakten twee in den grond zeer verwante opvattingen over het dichterschap en den geest door een zoo nuchter en onpoëtisch feit als een oorlog met elkaar in onverzoenlijk conflict.

Samenwerking; persoonlijke eigenaardigheden van George

Verwey's beschouwingen raken niet alleen George zelf, maar ook zijn kring, en (ongewild) komen de elementen van klein-menschelijken aard daarbij nogal vrij sterk naar voren. Het referaat van Verwey geeft de atmosfeer van het ‘leven om George’ zoo accuraat weer, dat de humor van het klein-menschelijke uit de feiten zelf spreekt. De ‘ernst van het kunstenaarschap’, daarin waren deze menschen eens allen één, en later zelfs ook ‘in de erkenning van het meesterschap waarmee elk van ons zijn natuur tot uiting bracht’. Hier voelt men al, hoe zwaar en gewichtig de poëtische verantwoordelijkheid drukte! ‘Het merkwaardige was’, schrijft Verwey naar aanleiding van de eerste ontmoeting met George, ‘dat zoodra wij op mijn kamer waren, de kennismaking overging in gemeenschappelijken arbeid. Ik liet hem plaats nemen in den stoel voor mijn schrijftafel. Ik legde hem Nederlandsche dichtwerken voor, maakte hem op enkele gedichten opmerkzaam en vertaalde ze. Aanstonds teekende hij dan aan wat de grondslag voor sommige van zijn latere vertalingen in verzen geworden is.’

De eerste ontmoeting werd gevolgd door een vruchtbare poëtische samenwerking, ook door middel van de wederzijdsche tijdschriften; Verwey brengt daarover weer zeer conscientieus verslag uit. In de ‘Blätter für die Kunst’ zijn b.v. sonnetten van Kloos, fragmenten uit Gorters ‘Mei’ en gedichten van Verwey zelf in de vertaling van George verschenen. Maar het belangrijkst zijn Verweys mededeelingen over Georges persoonlijkheid, dien hij ergens als volgt beschrijft:

‘Toen wij zoo zaten, viel het mij dadelijk op dat zijn (Georges) gezicht “en profil” smal, maar van voren breed was, een kruising, die ik bij niemand zoo sterk had aangetroffen, en die zonder twijfel de verbinding van een rijke natuur met een strengen vorm beteekende. Juist dit was de verbinding, die ik van nature beminde, en die het mij mogelijk maakte, vragend en antwoordend, zoowel uit te lokken als mij te openen. Overigens was er in zijn kop... minder een vloeiend geheel dan een schoone coördinatie en superpositie van verschillende deelen en lagen. Hij was niet een eenvoudig, maar een samengesteld wezen, dat evenwel telkens weer verraste door een groote oprechtheid en natuurlijkheid. Gebonden, maar van allerminst onwennige gebondenheid.’

Verwey geeft verder veel anecdoten (o.a. Georges ontmoeting met Bolland) en vertelt ook bijna deftig van 's dichters te nauwe lakschoenen, zijn salamanderkleurige dassen en zijn monocle; dit alles schijnt Verwey niet als ridicuul te hebben aangedaan, ook niet waar het in verband wordt gebracht met metaphysische problemen, althans hij neemt het zeer au sérieux. Bijzonder lachwekkend is voor mij (maar blijkbaar niet voor Verwey, die het ernstig vertelt) het verhaal, ‘dat George zich (bij Verwey) bezwaarde over de vrijmoedigheid, waarmee (de jonge dichter) Gutteling zich op de wandeling naast hem gevoegd had’. Hier speelt het element pose en comedianterigheid wel erg nadrukkelijk mee.

De ‘discipelen’

Evenmin vrij van aanstellerij blijken, in Verweys beschrijving, de ‘discipelen’, die door George streng onder tucht werden gehouden. Als Ludwig Klages van een bijeenkomst ‘spijbelt’ is hij zooiets als schoolziek! Het hiëratische is nauw verwant aan den Pruisischen dril, dat blijkt uit deze verhouding van leermeester tot leerling wel zeer duidelijk!

Van den ‘discipel’ Wolfskehl geeft Verwey het volgende, weinig aanlokkelijke beeld: ‘Bleek, met zijn warre lokken en de golfbewegingen van zijn slanke lichaam zegt hij een woord of ligt te luisteren met de dubbelgrootte van zijn bijziende oogen verzonken in de sprekers’. Een zonderling wezen is ook de ‘vernieuwer van het schoone handwerk’, Melchior Lechter. ‘In zijn woning Kleiststrasse 3 was niets – van gebrand venster tot boekband en servetgoed – dat niet door hemzelf gemaakt of naar zijn teekeningen en onder zijn opzicht vervaardigd was... Dat om de kroon aan de zoldering van zijn kamer de namen Nietzsche, Wagner, Böcklin (sic! M.t.B.) geschilderd waren, bewees mij genoegzaam, dat hij in een andere wereld leefde dan de mijne’, zegt Verwey, en het pleit voor zijn gezond verstand. Van dezen Lechter vindt men in het boekje ook een allesbehalve behaaglijk portret; hij zit op een eigengemaakte fauteuil in een soort esoterische sjamberloek.

Juist uit de allures der ‘discipelen’ blijkt, ook in het toch geenszins polemische en eer geestverwante geschrift van Albert Verwey, hoe gevaarlijk een dichtermystiek à la Stefan George is.

Het materiaal, door Verwey met de plichtsgetrouwheid van den litteratuur-historicus bijeengebracht, laat het definitief oordeel aan anderen over; maar juist als materiaal is het van de grootste waarde voor de bestudeering van het ‘geheim’ George, dat een interessant aspect van het ‘geheim’ der poëzie uitmaakt.

 

M.t.B.

 

Dit artikel verscheen als Stefan George en Albert Verwey in Verzameld werk, deel 4, pagina 270.