Homerus en wij

Kantteekeningen bij de Homerus-vertaling van dr. Timmerman

Dr. Aegidius W. Timmerman, Vertaling van Ilias en Odyssee (H.J. Paris, A'dam 1931 en '34).

Er worden, zelfs in een land als Nederland, zoveel klassieken vertaald, dat men zich wel eens afvraagt, in hoeverre die vertalingen aan een ‘gevoelde behoefte’ beantwoorden. De Nederlandsche vertalingen van Dante b.v. zijn legio; maar welke Nederlander (die bovendien dan waarschijnlijk nog geen Italiaansch kent, want anders zou hij Dante wel in het origineel lezen!) is in staat om den middeleeuwschen dichter werkelijk te verstaan? Niet alleen, dat men daarvoor een zekere mate van kennis van de middeleeuwsche historie, van de politiek en de scholastiek noodig heeft; maar het is ook problematisch, of de schoonheid van de Goddelijke Comedie, zelfs bij een behoorlijke ondergrond van kennis, werkelijk anders dan in uitzonderingsgevallen tot den modernen lezer kan doordringen. Ik zou zelfs zoo ondeugend willen zijn om te veronderstellen, dat er Nederlandsche (en buitenlandsche) vertalers zijn geweest, die Dante correct en zelfs poëtisch vertaald hebben zonder hem te hebben ‘begrepen’; dit laatste woord niet in den verstandelijken, maar in den algemeensten zin bedoeld. En toch kan een vertaling in zekere omstandigheden een voortreffelijke schakel zijn; alles hangt van het gebruik af.

Nemen wij een schrijver van een der ‘doode talen’, b.v. Homerus, dan is de toestand eigenlijk nog iets absurder; hier bestaat nl. een conflict tusschen origineel en vertaling, dat het juiste gebruik van beide ernstig belemmert. Tallooze jongelieden verlaten jaarlijks de gymnasia met een einddiploma in den zak, waarop vermeld staat, dat zij voldoende hebben behaald voor Grieksch; over de onvoldoenden, die niettemin geen beletsel bleken voor een gunstig resultaat van het eindexamen, zal ik kieschheidshalve zwijgen en aannemen, dat de voldoendes voor Grieksch in de meerderheid zijn. Deze jongelieden hebben enkele jaren regelmatig een belangrijk deel van hun tijd doorgebracht met het lezen, of exacter gezegd: vertalen van Homerus; maar hebben zij eenmaal het gymnasium achter den rug, dan verkoopen zij de edities van V. Leeuwen-Mendes da Costa of Cauer vaak zoo spoedig mogelijk voor ieder aanvaardbaar tweedehands bod.

Hebben zij meer piëteit tegenover den man van het ‘menin aeide thea’, dan bewaren zij hun editie, zetten haar omgekeerd in de kast en vergeten haar binnen den tijd van een of twee weken compleet. Tien jaar later, als zij pas getrouwd zijn en hun eerste groote schoonmaak moeten ondergaan, stuit hun echtgenoote op het, nog steeds omgekeerd in de kast staande, want altijd in die positie mee verhuisde werk in twee deelen; zij vertoont het verbaasd den gemaal, die juist in een roman van Arthur van Schendel verdiept is, en deze, eenigszins geïrriteerd en ook wat beschaamd over zijn verwaarloosde relatie tot den grooten dichter, waarover hij tegenover H.B.S.-leerlingen altijd geducht heeft opgesneden, neemt Homerus wrevelig ter hand, bladert er in en constateert, dat hij zijn Grieksch volkomen vergeten is. Hij weet nog eenige epitheta ornantia te vertalen, hij herinnert zich hier en daar een ‘herkos odontoon’, dat hij naar analogie van Vosmaer braaf met ‘wal uwer tanden’ placht te verdietschen, maar strandt verder onvermijdelijk op den vijfden regel van het eerste boek. Vervolgens begeeft hij zich, nog wat wrevelig, maar ook een weinig tevreden over de herkenning van dat ‘herkos odontoon’ naar de sociëteit en houdt daar een vurig pleidooi voor den beschavenden invloed der klassieke opleiding.

Origineel en vertaling

Deze historie, hoe railleerend zij hier verteld moge zijn, is verre van een uitzonderlijke historie. Het lichtelijk absurde feit ligt voor ons, dat de klassieke opleiding, die het lezen van Homerus als één harer fundamenten beschouwt, in (laat ons laag schatten) 90 pct. van de gevallen tengevolge heeft, dat haar adepten Homerus later niet meer kunnen lezen (ook al zouden zij willen)... tenzij in vertalingen!

Dat is één; maar er is meer. Ik voerde hierboven het problematische nut van vertalingen aan; welnu, in het geval-Homerus doet zich vaak de zonderlinge bij-omstandigheid voor, dat de philologische (en krachtens de eischen van het eindexamen noodzakelijke) muggenzifterij, waarmee men de gymnasiale jeugd Homerus heeft laten benaderen, alle werkelijke begrip voor den dichter buiten de deur heeft gehouden, alle belangstelling heeft gedood en dus alle nog mogelijke kansen op een persoonlijke relatie tot Homerus heeft weggenomen. Zelfs zijn er classici geweest (of zij er nog zijn, weet ik niet, maar ik vermoed het met groote kracht), die den gymnasiast wilden wijsmaken, dat het lezen in vertalingen van dezen schrijver slechts goed was voor zulke minderwaardigen als H.B.S.-leerlingen; wat voor den gymnasiast dan wel deugde, is eenigszins onduidelijk, aangezien het moeilijke idioom hem tot zijn laatste gymnasiumuren belet zijn aandacht op den tekst en de Homerische gedachtenwereld te concentreeren. De classici hebben met name dit goed te maken, dat zij ons een onzinnigen en hybridischen afkeer van vertalingen hebben ingeblazen, die op niets anders berust dan een ongemotiveerde overschatting van het Grieksche taaleigen, want als de vertaling ergens van dienst kan zijn dan is het hier.

In plaats van dat het klassieke onderwijs in de lectuur van Homerus in het oorspronkelijk een goede voorbereiding tracht te zijn voor de latere lectuur van Homerus in vertaling, heeft men er doorgaans in volhard aan de hersenschim van een volleerd Griekje met een compleet Grieksch taalvermogen de voorkeur te geven boven de nuchtere realiteit; men heeft steeds verzuimd zich er afdoende rekenschap van te geven, dat het Grieksch (en Latijn) essentieel van de moderne talen verschilt, omdat het niet meer gesproken wordt, en dat daaruit ook volgt een volkomen andere instelling van den leerling tot den schrijver, dien hij moet ‘lezen’. Zoo komt het, dat Homerus één der steunpilaren van het gymnasium en tevens een cauchemar van den gemiddelden gymnasiast geworden is, omdat de philologie hoogtij vierde, waar de cultuur-historische en aesthetische interpretatie het had moeten doen. Zulk een interpretatie behoeft volstrekt geen aanleiding te geven (zooals verschillende classici mij zullen tegenwerpen) tot oppervlakkigheid; integendeel, juist de philologische muggenzifterij kweekt die oppervlakkigheid, op een geheel andere wijze weliswaar dan de philologen vermoeden, maar daarom niet minder funest; zij kweekt menschen, die op een even spoedig vergeten als aangeleerde kennis van een weinig ingestampte Homerus-woordjes later in de maatschappij hun vooroordeel omtrent de ‘klassieke opleiding’ zullen baseeren. Had men deze menschen minder akribie in het woordenleeren en meer belangstelling voor psychologische problemen als bijvoorbeeld de Homerische opvatting omtrent de ‘ziel’ en het ‘noodlot’ bijgebracht, zij zouden minder oppervlakkig den voorrang der klassieke opleiding hebben verdedigd dan zij thans doen! Alles hangt hier af van de doelstelling; waarop wil men het onderwijs richten, op het vooroordeel of op het oordeel?

De vertaling is niet ‘voor iedereen’

Juist het voorbereiden van den gemiddelden gymnasiast (die geen klassieke letteren gaat studeeren en dus geen philologisch waterhoofd van noode heeft) tot het zonder de gewone oppervlakkigheid lezen van een vertaling, door hem aan de hand van het Grieksche idioom tot de structuur van het epos en de cultuurwereld der Homerische Grieken in te leiden, zou de klassieke opvoeding weer zin geven. Het is onwaar, dat een vertaling ‘voor iedereen’ is. Een vertaling is vaak een monstruositeit in de handen van hen, die nooit hebben nagedacht (gedwongen waren na te denken) over de nuanceverschillen van het Grieksche en het Nederlandsche taaleigen. Dit nuanceverschil brengt men iemand niet bij door hem domweg verba te laten vervoegen noch door hem anecdotes te vertellen over Penelope en de vrijers; de nuance ondergaat alleen hij, die men in den geest van een cultuur heeft ingewijd. Een voorbeeld. Door den gymnasiast, naar aanleiding van verschillende plaatsen bij Homerus een verklaring te geven van de overeenkomst en het verschil, die er bestaan tusschen de beide Homerische woorden voor ‘ziel’ (‘thymos’ en ‘psyche’), die wijzen op een totaal van de onze verschillende opvatting van het zieleleven, leidt men hem in tot het buitengewoon belangrijke besef van de mogelijkheid van nuanceverschillen, die onze cultuur niet kent, m.a.w.: men geeft hem een voorloopig inzicht in de betrekkelijke waarde van alle cultuur-symboliek. De geboren philoloog werpt mij waarschijnlijk weer tegen, dat de wetenschap zelf het over die verklaring nog niet eens is, of dat de gemiddelde gymnasiast zulke finesses niet begrijpen kan, of, nogmaals, dat de oppervlakkigheid door zulke hypotheses in de hand wordt gewerkt. Ik loochen dit; vooreerst is de wetenschappelijke en absolute zekerheid een fictie, die aan geen realiteit beantwoordt, vervolgens begrijpt de gymnasiast soms meer dan de leeraar, en tenslotte, wat de oppervlakkigheid betreft, geen oppervlakte is zoo dor als de diepzinnigheid der ‘onomstootelijk vaststaande feiten’. Of men oppervlakkigheid kweekt, ja dan neen, hangt zuiver en alleen af van de wijze waarop men deze problemen aan de jeugd voorlegt; een dosis oppervlakkigheid is bovendien voor iedere jeugd zeer gewenscht, want een diepzinnige jeugd lijkt mij een contradictio in terminis.

Reëele opvattingen over de klassieke opvoeding

Mijn pleidooi geldt dus niet het serveren van Homerus met een cultuursausje en evenmin het aanprijzen van Homerus als een eeuwige, onvergankelijke etc. waarde, maar uitsluitend een reëele opvatting van klassiek litteratuuronderwijs, opdat het tot iets diene. Niet tot ‘practisch nut’ alweer, maar tot vermeerdering van inzicht. Respect voor de vertaling en inleiding tot de vertaling door middel van het taaleigen, maar zonder dwaze verafgoding van het taaleigen, zijn daarvoor eerste vereischten.

De klassieke opvoeding heeft, juist door haar practische ‘nutteloosheid’, ongeëvenaarde mogelijkheden; o.a. biedt zij een overvloed van beschikbaren tijd voor onpractische spiritueele oefeningen. Daarvan moet men meer gebruik maken dan gewoonlijk geschiedt; want wat ik hier over het lezen van Homerus heb gezegd, zou ik kunnen uitbreiden tot een algemeen betoog over de waarde der klassieke opvoeding.

In een volgend artikel nog een en ander over de juist voltooide Homerus-vertaling van dr. Timmerman, die de belangstelling van velen verdient.

 

M.t.B.

 

Dit artikel verscheen als Homerus en wij in Verzameld werk, deel 4, pagina 275.