Terugblik op Adama van Scheltema

Het lyrische temperament bij uitnemendheid
Uitgave van zijn verzamelde lyriek

C.S. Adama van Scheltema, Verzamelde Gedichten. (W.L. en J. Brusse, Rotterdam 1934)

De dichter C.S. Adama van Scheltema, die 6 Mei 1924 stierf, is een van de weinig talrijke Nederlandsche dichters geweest, die het betrekkelijke voorrecht hadden werkelijk populair te zijn. Zijn bundels hebben zeer veel herdrukken beleefd, zijn gedichten zijn getoonzet, gedeclameerd, gezongen, ook nagevolgd; dit laatste niet dan tot schade van het werkelijk poëtisch talent, dat hij representeert, aangezien de epigonen (als bv. de in S.D.A.P.-kringen zeer geliefde gezusters Vos) natuurlijk niet verzuimd hebben alle aandacht te concentreeren op de minder voortreffelijke eigenschappen van den bard. En daarom is het van de firma Brusse een uitstekende gedachte geweest, dat zij Adama van Scheltema's werk (zijn lyrisch, en na zijn dood uitgegeven episch werk De Tors, benevens de Gevleugelde Spreuken) thans verkrijgbaar heeft gesteld in een kloeke uitgave, die de nagedachtenis van de dichter beter eert dan vele posthume lofredenen. Immers deze uitgave stelt ons in staat een overzicht te krijgen van de geheele figuur Adama van Scheltema; van zijn beminnelijke en nooit afstotende zwakheden, maar ook van zijn typische oorspronkelijkheid als spontaan lyricus van ongecompliceerde, algemeen navoelbare sentimenten.

Dichter en theoreticus

Dit laatste zeg ik niet als dood compliment aan het adres van iemand, dien men eigenlijk beter zou kunnen vergeten. Het heeft geen zin, Adama van Scheltema, tien jaar na zijn overlijden, te gaan verheerlijken als den grootsten en interessantsten dichter van Nederland, of zelfs van zijn generatie; maar het is even onbillijk hem te beschouwen (zooals onder invloed van de gecompliceerder dichters der volgende generatie meermalen is geschied) als uitsluitend een vlotten liedjeszanger voor de massa. Zeker heeft de cultus van de S.D.A.P. dezen auteur meer kwaad dan goed gedaan, zooals trouwens iedere cultus het beeld van de persoonlijkheid vervormt en misvormt. Een dichter, dien men kan declameeren loopt echter nog meer gevaar slachtoffer te worden van een cultus dan één, wiens woorden minder muziek en meer associatieve en begripselementen bevatten; en op Adama van Scheltema hebben de declamatoren hun lusten geweldig bot kunnen vieren. De tegenzijde van des dichters poëzie, minder voor populariteit geschikt, heeft daarvan geen voordeel gehad; ook zijn eenzaamheid en ontgoocheling moesten, bij wijze van spreken en misschien ook wel in letterlijken zin, gedeclameerd worden, want het eene sleept het andere mee. Bovendien achtte men zich aan de ‘reputatie’ van een zoo gevierd poëet verplicht, hem grooter voor te stellen dan hij was, intellectueel grooter vooral, en ook daardoor deed men hem onrecht. Wie wel eens in de theoretische werken van Adama van Scheltema (De Grondslagen eener Nieuwe Poëzie; Kunstenaar en Samenleving) heeft gelezen, weet, dat hij als essayist onklaar was, van goeden wille en afkeerig van de aesthetische aanstellerij der Tachtigers, maar niet bij machte het Tachtiger ideaal te vervangen door een houdbare eigen leer; Adama van Scheltema's voorliefde voor de ‘gemeenschapskunst’ bleef een intuïtieve voorliefde voor den eenvoud en de ongecompliceerdheid, waaraan achteraf een intellectueele rechtvaardiging moest worden toegevoegd. Deze rechtvaardiging kwam eigenlijk in hoofdzaak neer op een capitulatie zonder meer van den kunstenaar voor de allerbegrijpelijkste kunst (in plaats van de allerindividueelste expressie van Kloos), d.w.z. voor de helft plus één als aesthetische maatstaf, die natuurlijk niet aannemelijker is dan de ‘happy few’, waaraan de Tachtigers verknocht waren. Er is dus een stuk Adama van Scheltema, dat wel degelijk verantwoordelijk is voor den cultus, dien men zijn naam in zekere politieke kringen heeft gewijd; dit zij hier geconstateerd als een feit, niet als een verwijt, want de onzuiverheid van den cultus is niet de schuld van den dichter zelf.

Een ‘normaal mensch’, maar een dichter

Maar de geschiedenis van het intellect en het dichterschap is niet dezelfde geschiedenis. Beziet men Adama van Scheltema van de zijde der intellectualiteit, dan vertoont zijn levensloop en ook zijn poëtische carrière het niet zeer ongewone beeld van den spontanen, enthousiast beginnenden, lichtelijk weemoedigen, voor de schoonheid der natuur zeer gevoeligen jongen man, die zich in een beweging werpt, die beweging dient met de overgave en ook de rhetorica van de collectieve geestdrift... om, bij het ouder worden, langzamerhand de ontnuchtering te voelen aansluipen, den wat sentimentelen weemoed van de jeugdperiode te zien verstrakken tot ernst, vooral onder het aspect van den naderenden dood. Deze geschiedenis, die de bundels Een Weg van Verzen (1900) en De Keerende Kudde (1920) ongeveer als litterair begin- en eindpunt heeft, is typisch de geschiedenis van een lyrisch temperament, dat den eigenlijken ‘inkeer’ pas beleeft tegen den tijd, dat de doodsgedachte zich niet meer laat afwijzen; de ernst verschijnt hier als melancholie, als de keerzijde van een snel ontroerd en heftig door zijn impressies geboeid mensch, niet als verbittering of haat of dégoût; de ontwikkelingsgang van Adama van Scheltema heeft niet veel gemeen met dien van Théophile Gautier of Arthur Rimbaud. Karakteristiek voor den toon van de laatste bundels, Zingende Stemmen en De Keerende Kudde, is de vermoeidheid, die (even karakteristiek!) toch telkens weer wordt afgewisseld met de socialistische accenten van de ‘verwachting der komende dingen’.

 
Moe van leven,
 
Moe van weten,
 
Moe van willen,
 
Moe van mij –
 
Wil ik weggaan naar de verte,
 
Wil ik weg van deze wereld –
 
Wil ik niets meer –
 
Wil ik dood!

Vitaliteit, die begint te slijten, droomen, die niet in vervulling gaan, enthousiasme, dat geboren is uit jeugdélan en altijd gedreven heeft op indrukken, indrukken en nog eens indrukken: daarvan blijft bij deze temperamenten met bijna wetmatige zekerheid een groeiende leegte over als geschenk van den ouderdom; het temperament verzet zich, maar de sluipende schaduw neemt toe...

Dit is, steeds nog van den intellectueelen kant bezien, typisch de geschiedenis van een ‘normaal’ mensch. Het rhythme van het geestesleven gaat hier parallel met het biologisch rhythme, van jeugd tot grijsheid.

Maar deze ‘normale’ mensch was (en nu laat ik het andere aspect spreken) tevens een dichter van het ‘normale’ leven. Het is juist in dit opzicht, dat de verzamelde werken duidelijke taal spreken en den oorspronkelijken Adama van Scheltema op zijn best nog eens onverbiddelijk afgrenzen tegenover de epigonistische dames Vos c.s. Adama van Scheltema heeft, als echt mensch van indrukken, in zijn beste oogenblikken de gave bezeten, aan die indrukken een volkomen zuiveren, adaequaten vorm te geven. Als men deze ruim 300 bladzijden met poëzie doorbladert, houdt men telkens even halt, precies als wanneer men een editie van Heines lyriek in handen heeft; men ontmoet een regel, die onmiddellijk een persoon verraadt, men komt een vers tegen, dat niemand zoo geschreven zou hebben als Adama van Scheltema. Dit alleen al heeft een zekere bewijskracht voor het talent van den lyricus, dien versierder des levens in taal, wiens waarde men niet moet zoeken in de intellectualiteit, maar in de zuiverheid, waarmee hij in het woordbeeld op de impressie reageert, zonder tusschenkomst vooral van de cliché-beeldspraak; zoodra er maar iets van cliché aanwezig is, leest men in verzamelde werken met verveling, want verzamelde werken flatteeren oneindig minder dan afzonderlijke bundels, omdat lyriek ‘en masse’ den geest spoedig blokkeert met onverschilligheid. Maar in deze verzamelde werken van Adama van Scheltema blijft men lezen, ook al leest het oog over veel heen (veel socialistische hymnen vooral, en ook over heel wat beroemde Scheltema-‘nummers’); men ontdekt zelfs overal kanten van dezen dichter, die men maar half kende. Er steekt bv. in Adama van Scheltema een stuk dada, dat hem vaak op de grilligste vondsten brengt; ‘De Verovering der Gouden Vloot’ uit de bundel Van Zon en Zomer met de niet bepaald fijne, maar als groteske zeer effectieve woordcombinaties (‘Jan hagel! Jan salie! Jan muggescheet! Met alle permissie: ik zweet!’) is daarvan een zeer drastisch voorbeeld. Er steekt ook een voortreffelijk en lang niet ‘populair’ beschrijver van een ‘sfeer’ in den dichter van het weinig bekende ‘Mist’, met het zeer suggestieve hallo-refrein:

 
Vandaag is het niet vroolijk –
 
De mist dreint in de straat,
 
Het is doodelijk – doodelijk!
 
Als grauwe luizen gaat
 
Het volk zijn wankelen weeg
 
Onder de rokken van een helleveeg –
 
Hallo!
 
 
 
Over de vette steenen
 
Stolt het goud van een lamp,
 
Uit een boos oog beschenen
 
Staat er de menschenramp!
 
Wat zouden ze doen bij zoo'n licht?
 
Daar wordt wel wat smerigs verricht –
 
Hallo!
 
 
 
Daar staan ze als paddestoelen –
 
Een zwart, giftig gedoe,
 
O! konden ze het voelen –
 
Maar hun harten zijn toe!
 
Er zwerft een roep in den mist,
 
De roep van een vent – wie is 't, wie is 't?
 
Hallo!
 
 
 
Het is hier om te stikken –
 
Daar hangt een hart te koop.
 
Daar staat iemand te likken
 
Aan de donkere stroop
 
Van bedorven verdriet –
 
Heila! doe dat niet! – doe dat niet!
 
Hallo!
 
 
 
Des te mooier: door 'n zure
 
Straat je hart als een schuit
 
Vol met bloemen te sturen,
 
Met een groot licht vooruit!
 
Hallo! wij dragen den tijd als een schat
 
In bei onze handen door de stad –
 
Hallo!

In dit gedicht krijgt men den dichter Adama van Scheltema op zijn allerbest; maar in de laatste strophe komt plotseling de socialistische bard voor den dag, die ‘den tijd als een schat in zijn handen draagt’; met een ditmaal bijna onmerkbaren draai schiet hij toch opeens te voorschijn uit die prachtige ‘donkere stroop van bedorven verdriet’ met een ideaal voor de ‘verworpenen der aarde’. Er is zeker niets kunstmatigs in dien draai; bij een impressionabel talent als dat van Adama van Scheltema behoort een ‘impressionistisch’ ideaal; de gevoeligheid voor de sfeer zet zich vanzelf om in een optimistisch geloof, dat zich daarbij aansluit. Ook de gedichten ‘in den volkstoon’ passen in dit kader volkomen. Als totale figuur – tot die conclusie komt men bij deze terugblik – is Adama van Scheltema representatief voor iets; men kan hem niet verwisselen met een ander; hij is, met al zijn zwakke plekken, een persoonlijkheid geweest.

Naast Henriette Roland Holst

Gewoonlijk stelt men Henriette Roland Holst verre boven Adama van Scheltema. Ik weet nog niet zoo zeker, of dat in alle opzichten verantwoord is. Natuurlijk heeft het socialisme zich in de dichteres veel dramatischer voltrokken dan in den bard, wiens liederen meer illustratie dan tragiek van het socialisme geven; maar de eigenlijke beteekenis van Adama van Scheltema moet men dan ook niet in zijn socialistische overtuiging zoeken. Als socialist is hij nauwelijks interessant, en au fond is zelfs zijn socialistische oppervlakte nog typisch bourgeois; wat hij met Henriette Roland Holst gemeen heeft, is alleen het feit van de gevoelsreactie op de sociale problemen; hoe verschillend echter verloopen die twee reacties! Wat Adama van Scheltema daarbij sympathiek maakt, is, dat hij met al zijn melancholie en zin voor gevleugelde spreuken in zijn poëzie toch de eenvoudige lyricus bleef, die hij in wezen was. Die lyriek zal hem nog verdedigen, als men van zijn dramatische, essayistische en epische proeven allang niet meer spreekt. Daarom is de uitgave van Brusse (waaraan een portret in houtsnede van J. Franken Pzn is toegevoegd) allerminst een overbodige daad van piëteit.

 

Menno ter Braak

 

Dit artikel verscheen als Terugblik op Adama van Scheltema in Verzameld werk, deel 5, pagina 151.