Nieuwe poëzie

Waarom de poëzie een verbindend element vormt
Drie bundels van beteekenis

Jan van Nijlen, Geheimschrift (Joh. Enschedé & Zonen, Haarlem 1934).
Willem Elsschot, Verzen van Vroeger (Joh. Enschedé & Zonen, Haarlem 1934).
Henriëtte Roland Holst, Tusschen Tijd en Eeuwigheid (W.L. & J. Brusse, R'dam 1934).

Er mag tusschen dichters evenveel verschil in levenshouding bestaan als tusschen prozaschrijvers: een feit is het, dat men de goede dichters ‘en bloc’ kan onderscheiden van de slechte. Ik bedoel daarmee niet te zeggen, dat het verschil tusschen ‘goed’ en ‘slecht’ in zaken van poëzie een absoluut en altijd-geldend verschil is; immers ook hier zijn wij, zooals bij alle oordeelvellingen, in laatste instantie ‘jenseits von Gut und Böse’; maar wél, dat het mogelijk is, dichters van de meest uiteenloopende gezindheden als dichters te waardeeren, ook al kan men volstrekt niet meegaan met hun opvattingen. Bij het proza spreekt de logica veel sterker mee dan in de poëzie; er komt in onze verhouding tot een schrijver van logisch aan elkaar geschakelde zinnen veel vroeger een element van zakelijke uiteenzetting met zijn ideeën (ook al heeft hij heelemaal geen ideeën, zooals bij zeker soort prozaschrijvers nogal eens voor wil komen). In de poëzie echter is altijd een ‘zingende’ kant; en zingen leidt af van denken, het geeft een gevoel van gemeenschappelijkheid, dat in de nuchtere prozaïsche analyse verloren gaat. Prozaïsch: het woord zegt het al, dat proza in den volksmond met nuchterheid verbonden wordt!

Voorzoover dus het poëtische element het muzikale, zingende, magische element in de taalwereld is, is het het verbindende element. Men kan daarom door een vers een indruk bewerkstelligen, die vrijwel buiten de verstandelijke analyse omgaat; men kan met gedichten de menschen tot gemeenschappelijk enthousiasme brengen, men kan er ook hun verstand mee in slaap zingen. Hij, die de schoonheid van een bepaald gedicht heeft ondergaan, werkelijk ondergaan, zal achteraf zelfs vaak tot de erkenning komen, dat hij zich iets heeft laten suggereeren (‘aansmeren’ in populair Nederlandsch), waarvan hij de verstandelijke consequenties moet afwijzen. Dat is één der groote gevaren van de poëzie: zij behoort tot de wereld van den fakir, die hallucinaties voor nuchtere waarneming geeft. Maar daartegenover staat, dat zij ons vaak in veel sterker mate dan het proza een gevoelsportret geeft van een persoonlijkheid, dat zij het den lezer van gedichten mogelijk maakt zich te bewegen in de nevels en nuances, die een persoonlijkheid evenzeer karakteriseeren als zijn redeneeringen. Het spreekt vanzelf, dat dit alleen geldt van de dichters, die ik ‘goed’ zou willen noemen; zij hebben die macht over de taal, die hun veroorlooft in nevels en nuances zichzelf te blijven; alle andere, ‘slechte’ poëzie is louter klinkklank, dikwijls listig verborgen achter een aangeleerd en toegeëigend jargon... maar onverbiddelijk klinkklank. Zulke poëzie heeft dan ook niets verbindends; zij stoot af door haar onbenulligheid. Slechte poëzie is één van de ergste kwellingen, die ik ken, waaraan alleen één voordeel is verbonden: dat de kwelling meestal van korten duur is...

De drie gedichtenbundels, die ik als onderwerp van deze beschouwing heb gekozen, staan, wat ideeën en toepassing van de logica betreft, ver van elkaar af; ja, hun eenige directe gemeenschap in dit opzicht is misschien, dat zij in het voorjaar van 1934 verschenen zijn. Maar: zij behooren alle drie tot de goede poëzie, en dat verbindt hen, naast alles, wat hen van elkaar scheidt.

Een bescheidene

Jan van Nijlen behoort tot die zeldzame dichters in het Nederlandsche taalgebied, die men verwaarloosd heeft, en nog wel verwaarloost met een zekere dwaze stelselmatigheid. Dit valt des te meer op, omdat geen litteraire categorie hier te lande (en ook in Vlaanderen) meer onder de Jupiterlampen van de critiek is gebracht dan juist de dichters. Men mag met eenig genoegen constateeren, dat de Nieuwe Geluiden van Dirk Coster (thans allang niet nieuw meer, maar nog steeds de bruikbaarste bloemlezing uit de moderne Nederlandsche dichtkunst) vier drukken heeft beleefd; daaruit blijkt wel voldoende, dat er belangstelling voor de poëzie te over is, ook al zet die zich maar vrij zelden om in het koopen van dichtbundels (tot die handeling behoort n.l. een dosis energie, waarop de dichters eigenlijk niet mogen rekenen; want een bundel gedichten is een boek om aan te ruiken, zooals ik vroeger al eens betoogd heb, en wie koopt nu reukboeken!). Coster heeft als bemiddelaar tusschen den dichter en het publiek stellig weten te bereiken, dat de ‘jongere’ dichters uit hun isolement werden verlost. Hij heeft daarbij echter (het zij hem bij voorbaat vergeven) ook zonderlinge vergissingen begaan; hij heeft dichters en dichteressen uitgevonden en zelfs een voortijdige apotheose bereid, die later volkomen van het tooneel verdwenen en zonder dat iemand ze betreurde; wat erger is, hij heeft ook figuren gepasseerd, die een dergelijke behandeling allerminst verdienden. J.A. Dèr Mouw (Adwaita), de dichter van Brahman, heeft in het oog van Coster geen genade mogen vinden, hoewel hij stellig één van de allerbelangrijkste en vooral persoonlijkste dichters is geweest van dit land; en voor Jan van Nijlen geldt hetzelfde. Ergo (want Nieuwe Geluiden heeft geruimen tijd de maat aangegeven van wat in Nederland poëzie mocht heeten) is Van Nijlen behalve voor zijn Vlaamsch geboorteland ook voor het Noorden, waarvan hij het taalgebruik vrijwel geheel zuiver heeft overgenomen, altijd een figuur op het tweede plan gebleven; de bundel Geheimschrift bewijst ten overvloede nog eens hoezeer ten onrechte. Het kan zijn, dat ook de bescheidenheid en de afkeer van iederen (zelfs eerbaren) vorm van reclame dezen dichter zoo gedupeerd heeft wat zijn openbare aanzien betreft; hij zal er trouwens zelf weinig om geven, dat hem op dit punt gerechtigheid geschiedt, want hij heeft niets van den litteraat, die het van publiciteit en roem moet hebben. Karel van de Woestijne heeft in een opstel, getiteld: Jan van Nijlen als Voorbeeld zeer juist het volgende over deze levenshouding gezegd:

‘Deze schroomvallige bescheidenheid, die hem het perspectief der afstanden verzekert, houdt geen afgetrokken misprijzen in van anderen, niet meer dan zij onderschatting zou zijn der eigen waarde. Deze standvastigheid is geen zelfgenoegzaamheid of een even gemakkelijk als koppig vasthouden aan onaantastbare beginselen. Ik weet dat Jan van Nijlen zelfbewust is en eclectisch.’ ‘Hij is een man der maat’, voegt van de Woestijne er verderop aan toe; en inderdaad, uit dit zuivere maatgevoel zal men zijn impopulariteit voor een deel kunnen verklaren. Niets in de poëzie van Van Nijlen schreeuwt, niets is er gedesequilibreerd; zelfs de smartelijke accenten zijn mild gehouden, en dat mag ‘men’ niet. De voornaamheid is hier zoozeer tot vanzelfsprekenden toon geworden, dat er velen zullen zijn, waaraan die toon voorbij klinkt; zij hebben het schrille, het pathetische en ‘verscheurde’ noodig. In zooverre is het wellicht billijk, dat Jan van Nijlen ‘op het tweede plan’ is geraakt; want gerekend van het standpunt der reclame behoort hij daar. Alleen zij, die met hem de voorname liefde voor al het geschapene en den voornamen weemoed om het voorbijgaan der dingen deelen, kunnen Van Nijlens poëzie ten volle genieten.

Maar er is een reden, waarom de achterafstelling van Jan van Nijlen wél zeer onbillijk is: hij is nl. allerminst een dichter, die zich terug heeft getrokken in de ongenaakbare sfeer der onverstaanbaarheid. Hij is niet een dichter voor ‘the happy few’, maar een dichter ‘für Alle und Keinen’; men heeft, bij wijze van spreken, slechts een wenk noodig om hem te kunnen lezen. De eenvoud van Van Nijlens poëzie is er om zijn aristocratische reserves ten opzichte van de publieke glorie de werkelijke waarde te verleenen; hij is niet hooghartig, hij is afzijdig, omdat zijn temperament die afzijdigheid eischt. Een man als Van Nijlen heeft de herinnering aan zijn kindsheid behouden als een teeken van een zuiverder en oorspronkelijker wereld dan die van de volwassen cliché-wezens; daarom, en niet uit sentimentaliteit, is het juist de vergankelijkheid, die hem het bestaan doet liefhebben:

 
Ik ben alleen voor gansch mijn verder leven,
 
Er is niets meer dat me aan deze aarde bindt.
 
En toch, ik voel mijn hart onstuimig beven:
 
Dáár staat een boom, dáár speelde ik eens als kind.

Er staan in den bundel Geheimschrift veel bijzonder goede verzen; maar ik heb er geen gedicht in gevonden, dat niet goed was, d.w.z. niet verantwoord, niet persoonlijk.

De romancier Elsschot als dichter

De Verzen van Vroeger van een andere Vlaming, die Nederlandsch schrijft, Willem Elsschot, in eenzelfde sobere editie verschenen bij Joh. Enschedé (de verzorging van deze poëzie is een lust voor de oogen), hebben een geheel ander, een veel zwaarder en dramatischer accent. Zij zijn, afgezien van de poëtische waarde, ook nog een interessant curiosum, omdat zij tusschen 1907 en 1910 geschreven zijn, en pas verleden jaar in een tijdschrift gepubliceerd door toedoen van vrienden van den dichter, die ze zelf had laten liggen.

In de eerste plaats geven deze gedichten een belangwekkende aanvulling op het prozawerk van Elsschot, dat nu eindelijk wat meer bekend begint te worden (over zijn laatsten roman Kaas schreef ik eenige maanden geleden, over zijn nieuwen roman Tsjip, die in het najaar verschijnt, berichtte onze Brusselsche correspondent onlangs). Terwijl de romancier Elsschot in zijn Villa des Roses, dat uit denzelfden tijd dateert als deze Verzen van Vroeger, zich voor alles een scherp en meedoogenloos observator toonde uitte hij zich in deze poëzie geheel anders; niet minder scherp en meedoogenloos, maar met een ander fond, dat de poëzie eerder bijbrengt dan het proza. Voor alles vindt men hier den dichter Elsschot als een bewogen gevoelsmensch, die zijn verwantschap met den arme, den gebochelde, den baggerman, den ouderdom diep ondergaat, zonder daarom sentimenteel te worden of naar sociale utopieën te zoeken. Men zou dit sentiment medelijden kunnen noemen, als het woord niet zulk een flauwen klank had; want flauw en ‘halfzacht’ is dit oprechte medelijden nu juist allerminst. Het roept een paar visioenen op, die aan de Blinden van Brueghel herinneren in hun grooten stijl; het zijn geen detailteekeningen-met-moraal, maar constateeringen van een gegeven ellende, waarmee de dichter zich in den geest verbroedert; daarbij gekenmerkt door denzelfden naar het tragische overgrijpenden humor van Brueghel, waaraan volstrekt alle ‘grappigheid’ vreemd is.

Ik kan niet nalaten het geheele gedicht ‘Tot den Arme’ hier te citeeren, als de beste documentatie van Elsschots poëzie, waarvan men den toon nergens terugvindt:

 
Gij met uw ‘weiflend’ handen
 
en met uw vreemden hoed,
 
uw aanblik stremt mijn bloed
 
en doet mij klappertanden.
 
 
 
Verhalen moet gij niet
 
van uw eentonig leven,
 
het staat op u geschreven
 
wat er met u geschiedt.
 
 
 
De letterteekens spelen
 
om uwen armen mond,
 
die kommervolle wond
 
waarlangs uw vingers streelen.
 
 
 
Het klinkt uit uwen tred,
 
het snikt in uwe kluchten,
 
het zijpelt uit de luchten
 
waar gij u nederzet.
 
 
 
Het komt mijn droomen storen
 
en smakt mij op den grond,
 
ik proef het in mijn mond,
 
het grinnikt in mijn ooren.
 
 
 
Ik zal ter kerke gaan
 
en biechten mijne zonden,
 
en leven met de honden,
 
maar staar mij niet zoo aan.

Een groot dichteres en haar ideaal

En tenslotte: welk een groot dichteres Henriëtte Roland Holst is, heb ik nog eens ervaren door haar nieuwen bundel, waarvan de titel alleen mij theoretisch al met een zekeren schrik vervult. Over de ideologie van mevr. Roland Holst heb ik onlangs geschreven naar aanleiding van haar inleiding bij de bloemlezing uit revolutionnaire poëzie, Het Eeuwige Vuur; en ik heb bij die gelegenheid trachten aan te toonen, hoe weinig haar gevoels-socialisme met de realiteit uitkomt. Maar juist deze gevoeligheid, die haar tekort doet schieten als theoretisch schrijfster, maakt haar kracht uit in de poëzie, die van schakeeringen en nuance moet leven. Het is in de poëzie (en niet in het betoog), dat mevr. Roland Holst voor haar ideaal kan instaan; in haar gedichten mist men haar ‘logische weekheid’ zelfs doorgaans, men denkt er niet over na, of het eeuwige idealisme dezer humane illusies op donquichoterie gaat lijken. De dichteres zal mij ten goede willen houden, dat ik haar lees, zooals zij het waarschijnlijk niet bedoelde: met afkeer van haar levensbeschouwing en met bewondering voor haar persoonlijkheid. Ik zie hierin geen dilettantisme, want mijn bewondering is niet die van hen, wier dweeperij met de dichteres Henriëtte Roland Holst dweeperij met haar idealen meebrengt; ik wil alleen verklaren, dat zij in poëzie haar ideaal dient, zoals maar weinigen het kunnen. Dát zij het zoo kan, dát de taal haar zoo voortreffelijk onderdaan is, bewijst mij, dat het ideaal voor mevr. Roland Holst geen abstracte keuze, maar een ‘hier sta ik, ik kan niet anders’ beteekent.

Laat ik dus thans over de theorieën van de dichteres mogen zwijgen; want haar verzen verliezen niets aan spontaneïteit, zij worden nog steeds geboren uit het schuim der zee en zijn nog altijd frisch van de dauw; voor deze beelden vraag ik ditmaal geen verontschuldiging.

 

Menno ter Braak

 

Dit artikel verscheen als Nieuwe poëzie in Verzameld werk, deel 5, pagina171.