Het geschil inzake Partij Remise

Commentaar van Jef Last op de beslissing van den eereraad

Gelijk wij onlangs hebben gemeld, heeft een eereraad, bestaande uit de heeren C. Veth, Johan Luger en Victor E. van Vriesland uitspraak gedaan inzake het geschil tusschen Jef Last en A.M. de Jong, dat betrof het ‘plagiaat’, waaraan Last zich zou hebben schuldig gemaakt in zijn roman Partij Remise.

Van verschillende zijden werd ons medegedeeld, dat de heer Last zich bij de uitspraak van dezen eereraad niet wenschte neer te leggen, aangezien de daarin vervatte conclusies niet in overeenstemming waren met de feiten. In verband daarmee hebben wij ons tot den heer Last om inlichtingen gewend; deze zeide ons het volgende:

‘Het is onjuist, dat ik geen genoegen zou nemen met de beslissing van den eereraad; ik heb in de samenstelling daarvan berust en moet dus ook berusten in de beslissing. Ik meen echter niet te mogen verzwijgen, dat de wijze, waarop deze eereraad zijn taak heeft opgevat, mij geenszins juist schijnt. In de eerste plaats doet de uitspraak het voorkomen, alsof niet De Jong, maar ik de beschuldigde zou zijn; dat is onjuist, want de Ned. Vereeniging van Letterkundigen verklaarde zich bereid om een eereraad te benoemen om mijn schriftelijk geformuleerde aanklacht tegen De Jong te onderzoeken. Pas veel later heeft de eereraad mij meegedeeld, dat hij zich niet bevoegd achtte over het optreden van De Jong een oordeel uit te spreken; ik heb daartegen (tijdens een verblijf te Parijs) schriftelijk geprotesteerd, maar zonder eenig resultaat.

Inzage van aan den eereraad voorgelegde stukken is mij niet verleend, hoewel daarbij voor mij zeer belangrijke documenten waren; ik heb om inzage verzocht, maar nooit stukken ontvangen. Noch De Jong noch ik zijn persoonlijk gehoord, hoewel ik daarom tal van keeren schriftelijk en telefonisch heb verzocht. Ondanks de uitdrukkelijke toezegging van een der leden van de eereraad, dat ik het perscommuniqué van de uitspraak 24 uur voor de publicatie zou ontvangen, ontving ik het eerst, toen het reeds in het bezit van de pers was, zoodat ik niet meer tegen de uitspraak kon protesteeren.

Tenslotte: naar de zeer scherpe aanvallen op mijn karakter, die A.M. de Jong in zijn publicatie openlijk deed, heeft de eereraad geen onderzoek ingesteld, hoewel deze aanvallen in mijn aanklacht werden genoemd.’

 

(Hoewel wij ons uiteraard in het geschil tusschen de heeren Last en De Jong niet willen mengen, meenen wij dezen commentaar van den heer Last te moeten publiceeren, aangezien ook ons de uitspraak van den eereraad ten zeerste verbaasd heeft; het Hbl. noemde de uitspraak ‘vaag’, maar deze term lijkt ons te zacht, terwijl er van De Jongs beschuldigingen ongeveer niets is overgebleven, terwijl deze auteur zich desondanks eerst niet ontzag zijn tegenpartij van ‘letterdieverij’, van het ‘gappen van tallooze passages’ te betichten, om van andere qualificaties nog maar te zwijgen, heeft de eereraad geen termen gevonden, den heer De Jong daarop te wijzen! Het wil ons voorkomen, dat de eereraad daardoor getoond heeft niet voldoende in te zien, welk belang er met deze uitspraak was gemoeid: n.l. niet meer of minder dan zuiverheid van ons publieke litteraire leven. Red.)