Japansche assimilatie

Analogie met de Europeesche civilisatie
Een Japansche arbeidersroman vertaald

Naoshi Tokoenaga, Straat Zonder Zon (vert. v. Ed. Coenraads: Wereldbibliotheek, A'dam, 1934).

De geschiedenis van Japan sedert het jaar 1868 is een miraculeus voorbeeld van cultureel aanpassingsvermogen. In dit jaar nam de nieuwe Mikado, Mutsohito, zelf het bestuur op zich, in een land, dat vrijwel afgesloten van de wereld onder een soort leenstelsel had geleefd, met een machtigen Sjogoen (hofmeier), daimio's (leenmannen) en samurai's (ridders); van den Mikado had het publiek alleen bij feestelijke gelegenheden de voetzolen te zien gekregen. Dit laatste symbool spreekt boekdeelen, wanneer men het vergelijkt met de moderne symbolen, die de geluidsfilmjournalen ons te zien geven: Japansche onderwijzers, die, met Europeesche boorden en in Europeesche colbertjes getooid, hun keizer hulde brengen door een ook al Europeesch klinkend nasaal gezang aan te heffen: een keizer, wiens lichaam in een militair costuum van Europeeschen snit is ondergebracht en wiens voetzolen niet eens het onderwerp van een filmischen close up hebben uitgemaakt.

Europa in den Japanschen spiegel

Het is voor den Westerling moeilijk dit wonderlijke proces van assimilatie op de juiste waarde te schatten. In hoeverre berust dit accepteeren van Europeesche oppervlaktecultuur op zuivere imitatie? In hoeverre heeft de assimilatie ook zijn invloed laten gelden op het karakter van een volk als de Japanners, dat met al zijn bekende vatbaarheid voor handige navolging toch ook nog beschikt over zooiets als een particuliere traditie? Om op die vragen antwoord te kunnen geven, moet men een kenner zijn van de Japansche psyche, liefst uit eigen aanschouwing: wij hebben ons hier te beperken tot enkele algemeene gezichtspunten, die men ook kan gebruiken zonder een ethnologische specialiteit te zijn. De imitatiedrift immers is een algemeen verschijnsel, dat in alle culturen een rol speelt; het naäpen van cultuur, zelfs het zoo bedrieglijk naäpen, dat de beste toeschouwers door het tafereel worden misleid, is de uiterst belangrijke factor in het cultuurleven als zoodanig; zonder een uitgebreide peripherie van menschen, ‘die doen alsof’, zou de cultuur niet eens kunnen bestaan. Hoeveel menschen, die zeggen van Baudelaire te ‘genieten’, leven werkelijk de conflicten van Baudelaire na? Ik zou het aantal uit voorzichtige hoffelijkheid jegens de cultuur maar liever niet willen schatten! Van dezen imitatieven factor hebben de Japanners een dankbaar gebruik gemaakt; er zijn reizigers, die Japan door en door kennen, en van meening zijn, dat dit volk zich van de Westersche cultuur alleen bedient, zooals het zich bedient van de Westersche techniek en den Westerschen bolhoed, zonder dat hier die cultuur ook maar in de geringste mate productief wordt, eigendom van den mensch wordt. Als dat juist is, moet men het ‘gele gevaar’ in de eerste plaats beschouwen als een economisch en technisch gevaar, dat een eigenaardige manifestatie te zien geeft van de kracht der cultureele imitatie; de dreiging in het Verre Oosten lijkt dan bijzonder veel op een godsgericht, dat de Westersche beschaving houdt over zichzelf; d.w.z. over haar eigen imitatietalent, dat zij door de Japanners in de perfectie heeft laten uitwerken en als een parodie op haarzelf door vermomden laat opvoeren. Ik voor mij heb een gevoel van leedvermaak nooit geheel kunnen onderdrukken, als ik Europeanen met veel minachting hoorde spreken over de oppervlakkige beschaving der moderne Japanners; immers het is juist deze soort beschaving, die door de technici in Europa gesteld wordt tegenover de ‘onpractische’ klassieke opleiding, het is juist deze vorm van cultuur, die, hoewel imitatie, door hen wordt aangeprezen tegenover ‘boekengeleerdheid’. Het practische voordeel ligt trouwens voor de hand; in dit zuiver imitatieve stadium ontbreekt nog alle moeizame verantwoordelijkheid, alle getob met diepzinnige problemen; de cultuur wordt gebruikt als een technisch apparaat, als een ‘verbaal’ georiënteerd hulpmiddel in den strijd om het bestaan; zou men, als eerlijk technicus, de Japanners dus niet moeten benijden, inplaats van hen te betuttelen over hun ‘oppervlakkigheid’? Het komt mij voor, dat deze conclusie de eenig mogelijke is. Pas voor hen, die ook in de Europeesche cultuur het technische principe en de doelstelling ‘efficiency’ verwerpen, wordt het Japansche procédé een groot vraagteeken; maar niet zoozeer om de Japanners, als wel om het procédé, dat op het Japansche tooneel den Europeaan onthuld wordt zonder de romantische sluiers van zijn eigen werelddeel.

 
Zij hebben al uw boeken gelezen,
 
en nooit een geheim vermoed noch
 
ontsluierd;
 
ze hebben de eeuwen der jeugd verluierd,
 
ze zijn verhongerd en oud.
 
Maar ze hebben al uw boeken gelezen
 
en hun ziellooze brein, dat den bloesem
 
verlept
 
en verdort het zaad, het onthóudt
 
elke formule en ieder recept.

In een groot gedicht ‘Noodklok’, met het refrein ‘Europa, vernietig Japan!’, heeft de dichter Jaap van Gelderen eenigen tijd geleden met deze regels de verhouding van den Japanner tot de hem in wezen volkomen vreemde cultuur aangegeven; maar als men eerlijk wil zijn, zal men moeten toegeven, dat diezelfde regels evenzeer van toepassing zijn op de Europeesche civilisatie zelf, waarover Spengler en Ortéga y Gasset niet zonder reden den staf hebben gebroken! Japan representeert Europa in een gemummificeerde, en toch gevaarlijke levende realiteit: onze beschavingsformules en cultuurrecepten kan men daar bewonderen, en het is wat al te gemakkelijk ze te verloochenen, omdat ze door Japanners worden gehanteerd; het feit, dát onze beschaving zich in enkele tientallen jaren laat overplanten naar een totaal vreemden bodem, moge iets bewijzen voor het assimilatievermogen en de oppervlakkigheid der Japanners, het bewijst minstens evenveel voor de verwarring van formalistische handigheid en waarachtige cultuur, die onze negentiende eeuw zoo dikwijls parten heeft gespeeld.

‘Planetaire’ banaliteit

Ik heb dit punt: de verwantschap tusschen Japansche oppervlakkigheid en Europeesche oppervlakkigheid, zoo opzettelijk naar voren gebracht, omdat ik geloof, dat er in dezen misschien een gradueel, maar zeker geen essentieel verschil bestaat tusschen den gemiddelden Japanner en den gemiddelden homo sapiens in de Europeesche variëteit. Graaf Keyserling, die, zooals ik in een vorig artikel heb vermeld, met een zekere voorliefde gewag maakt van een ‘planetairen geest’, waarmee wij op dezen aardbol en in dit cultuurstadium rekening moeten houden, heeft wellicht gelijk, als men het iets minder philosopisch uitdrukt: er ontstaat n.l. over de geheele aardoppervlakte een soort aan alle landen en volken gemeenzame zin voor banaliteit, die sterk in de hand wordt gewerkt door de verspreiding van gemeenplaatsen per radio. Het eene volk zal zich sneller assimileeren dan het andere, en de Japanners hebben in dit opzicht een kampioen-prestatie geleverd; maar het lijkt mij zeer kortzichtig daaruit af te leiden, dat zij daarom niet, evengoed als de geassimileerde Europeanen, belangrijke cultureele reacties op dat proces zouden kunnen voortbrengen. In ieder geval is het onzin, hen terug te verwijzen naar hun sjogoen en daimio's; Japan kan niet meer terug, zoomin als de geschiedenis kan worden teruggeschroefd, en wij hebben voortaan rekening te houden met het Japan van de onderwijzers met boord en colbert; wie zich daartegen verzet en geisha-romantiek verlangt, toont een te geringe liefde voor de werkelijke pikanterie der historie.

Een Japansche arbeider als auteur

De Wereldbibliotheek heeft daarom een goed werk gedaan door een Japanschen arbeidersroman van den schrijver Naoshi Tokoenaga in het Nederlandsch te laten vertalen. Het is jammer, dat die vertaling niet naar het origineel gemaakt kon worden, maar naar een Duitsche vertaling moest worden bewerkt; dat neemt niet weg, dat de Nederlandsche tekst van Ed. Coenraads den indruk maakt van conscientieus te zijn verantwoord. De directie van de W.B. is trouwens zoo oprecht in dezen geheel open kaart te spelen; ook de inleiding van den vertaler doet niet de minste moeite het boek als zoodanig te idealiseren. Ik wil dit hier met nadruk vermelden, omdat de ergerlijke gewoonte, boeken in prospectussen en inleidingen met bombastische termen als meesterwerken aan te prijzen, hand over hand toeneemt; het gevolg is, dat geen sterveling meer in al die meesterwerken gelooft. De methode van de W.B. is zakelijk, sympathiek en volkomen logisch; uit de inleiding komen wij te weten, dat deze Japansche roman vertaald werd, omdat het van belang kan zijn, dat de Westersche lezer er kennis mee maakt; het wordt aan dien lezer zelf overgelaten zijn conclusies omtrent de meesterlijkheid te trekken. De uitgevers van den heer M. Revis mogen aan deze manier van annonceeren een voorbeeld nemen!

Naoshi Tokoenaga is, zooals de inleiding vermeldt, een boerenzoon uit Koemamoto in Zuid-West Japan. Hij bezocht de lagere school, werkte vervolgens als typograaf, later als arbeider in een sigarettenfabriek en in een electrische centrale. Later trok hij naar Tokio, om er in de Kyodo-drukkerij te gaan werken. Hij werd daar oprichter van een vakvereeniging en kwam door een werkstaking, die hij in 1926 meemaakte, tot het schrijven van dezen roman.

Dit schema van 's mans levensloop geeft al eenigszins aan, in welke richting men moet zoeken om onderwerp en geestesgesteldheid van zijn boek te vinden. Het onderwerp is de staking van drieduizend arbeiders van de Daidodrukkerij; een staking van negentig dagen, die een felle antithese schept tusschen het proletariaat eenerzijds en het Japansche grootkapitaal (verbonden met de politie en de regeering) anderzijds. De organisaties van twee werelden botsen op elkaar; in den taaien strijd, die daarvan het gevolg is, worden de arbeiders steeds meer in het nauw gedreven, totdat een geënsceneerde brand (wie denkt hier niet aan nabije parallellen?) leidt tot massa-arrestaties van de leidende persoonlijkheden; daarmee is de overwinning definitief aan de ondernemers en de staking wordt opgeheven. De roman eindigt met een bewogen vergadering, waarin het vaandel ten slotte wordt meegevoerd door de jongeren, die het verder zullen dragen, ondanks alle nederlagen. Met dit collectivistische thema verbindt de schrijver de geschiedenis van twee zusters, boekbindsters, Takaë en Okayo; de zwangerschap van Okayo, die telkens als ‘natuur’-motief aan de stakingsgebeurtenissen parallel loopt, de revolutionnaire energie van Takaë, die ten slotte tot een wraakneming op het kind van den grootindustrieel Okawa wordt gedreven door den jammerlijken dood van haar zuster, geven hem gelegenheid een paar eenvoudige menschelijke gegevens met een historische stof te verweven; hierin openbaart zich het individueele leven van de ‘straat zonder zon’, de trieste arbeidersbuurt van de Japansche metropool.

Geen locale kleur van het oude Japan, maar partijresoluties

De stijl en de compositie, ook de psychologische schematiek van den auteur, demonstreeren al heel duidelijk, hoever het assimileeringsproces in Japan is gevorderd.

Deze Tokoenaga drukt zich uit in een romanvorm, die vrijwel geheel overeenkomt met den tegenwoordigen Russischen roman; het zijn dezelfde antithesen, dezelfde panorama's van de arbeidersmassa tegenover de betrekkelijk kleine groep van heerschers, die een verbond hebben gesloten om hun macht te handhaven. Het is werkelijk bijzonder opvallend, zooals in dit boek het milieu van het oude Japan gereduceerd is tot een poveren achtergrond van wat locale kleur (niet eens noemenswaardig trouwens!); die enkele resten, een Boeddha-tempel, die als vergaderplaats dient, een Boeddhapriester, die als ‘heilsoldaat’ optreedt, verzinken geheel in 't niet tegenover het arbeiders- en industrieelen-milieu op het eerste plan, waaraan alle specifieke Japansche kleur vreemd is: als men de Japansche namen verving door Jan, Piet en Klaas en den tempel door een vervallen evangelisatielokaal zou men niet zoover af zijn van een roman van Jef Last. In het bijzonder de vrouwefiguur Takaë vertoont tot in details overeenkomsten met haar collega's in de Russische litteratuur: zij representeert de vrouw, die uit de onmondigheid en het zuiver particuliere bestaan door de revolutionnaire gebeurtenissen wordt losgemaakt, en die desondanks meer dan de mannen in haar omgeving, de schakel met die persoonlijke, particuliere sfeer blijft vormen. Ieder, die zich tot deze lectuur zet met de verwachting exotische theehuizen te zullen aantreffen, wordt gedesillusionneerd, want er is bij den in organisatorische categorieën denkenden Tokoenaga geen spoor van die verblijven te ontdekken. De realiteit, die hij wil verbeelden, is gebaseerd op een nuchteren ondergrond van partijresoluties en economische conflicten.

De assimilatie aan de westersche denkvormen heeft hier dus ten gevolge gehad, dat de enorm snelle verindustrialiseering van Japan op den voet werd gevolgd door den romanvorm, die daarbij onmiddellijk aansluit en die in Sowjet-Rusland zelfs in het vijfjaren-plan werd opgenomen. Ik ben in het algemeen geen bewonderaar van deze soort litteratuur; mengsel van reportage en dikwijls zeer goedkoope psychologie als zij is, levert zij maar weinig groote verrassingen op; de schematiek speelt er een te overwegende rol in dan dat men zich anders dan ‘wetenschappelijk’ voor zulk een werk zou kunnen interesseeren. Ook Straat zonder Zon van Tokoenaga heeft de slechte eigenschappen van het genre, zooals trouwens de vertaler (alweer: zeer sympathiek) in zijn voorwoord zelf toegeeft; maar de toon van dezen schrijver getuigt van een eerlijkheid, die veel vergoedt. Van sommige zijner beschrijvingen gaat een werkelijk beangstigende suggestie uit; zoo b.v. van het hoofdstuk ‘Aan den Vooravond’, dat voorafgaat aan het gevecht in de fabriek. De wijze, waarop hij de reactie van den eigenaar der Daido-drukkerij, Okawa, op de vergiftiging van zijn dochtertje teekent, is uitstekend; de verhouding tusschen de beide zusters, de bevalling en dood van Okayo eveneens.

De onhandige compositie van het boek als geheel wijst, ook hier, op een duidelijke imitatie van een uitheemsch procédé; maar in dit opzicht behoeft het zeker niet onder te doen voor de Ehrenburg-imitaties, waarmee wij in Nederland doorloopend worden gezegend. Waarmee men, met alle voorzichtigheid, zou kunnen aantoonen, dat het ‘planetaire’ assimilatieproces in Japan niet noodzakelijkerwijs onder slechter condities geschiedt dan in Europa.

 

Menno ter Braak

 

Dit artikel verscheen als Japanse assimilatie in Verzameld werk, deel 5, pagina 197.