De prijzen van gisteren

De Maatschappij heeft haar best gedaan
Over een gehalveerden koning

Het heeft dikwijls aan critiek op de prijsuitdeelingen van de aloude Maatschappij der Nederlandsche Letterkunde niet ontbroken; laten wij dus ditmaal in de eerste plaats royaal zijn met lof en grif erkennen, dat de bekroning van Henriëtte Roland Holst-van der Schalk en J. Slauerhoff blijk geeft van een werkelijk gevoel voor litteraire prijssymboliek.

De Meesterprijs volkomen op zijn plaats

De Commissie voor Schoone Letteren heeft in haar advies gezegd, dat de grootheid van Henriëtte Roland Holst een feit is, dat door geestelijke mede- en tegenstanders eenstemmig wordt erkend. Daarin heeft zij gelijk; men kan mevr. Roland Holst thans reeds zien als een figuur, die zich onderscheidt van alle andere verschijningen in de Nederlandsche letteren; terwijl haar beteekenis dus reeds min of meer historisch te waardeeren is, staat zij, zooals uit haar laatsten, uitstekenden bundel Tusschen Tijd en Eeuwigheid reeds afdoende blijkt, nochtans midden in een productief leven. Als dichteres weet mevr. Roland Holst de bewondering te wekken ook van hen, die haar ideologie afwijzen; zij is (als men van dergelijke metaphoren houdt) een dichteres bij de genade Gods. Ook van haar theoretische geschriften kan men zeggen, dat zij altijd getuigen van een helder en constructief denkvermogen, al wordt dat denkvermogen dan ook doorgaans sterk beïnvloed door vooropgezette dogmatische overwegingen, waarover verder geen discussie mogelijk is. Maar ook als socialiste heeft deze schrijfster alle recht op zoo algemeen mogelijke appreciatie; zij heeft nooit haar heil gezocht in het goedkoope argument en steeds getracht uit de politieke en economische factoren het heil der menschheid af te lezen, dat haar zoo na aan het hart ligt.

De meesterprijs geeft dus volkomen zinrijk aan, welke plaats Henriëtte Roland Holst ten onzent inneemt.

Slauerhoff ‘voorwaardelijk bevorderd’

De uitverkiezing van Slauerhoff voor den Van der Hoogh-prijs is niet minder gelukkig; dat de Commissie den nadruk legt op zijn geheele oeuvre, bewijst, dat zij voor de totaliteit van dat oeuvre oog heeft. Slauerhoff is een figuur, wiens dichtbundels en proza-verhalen even zooveel documenten zijn van een merkwaardige en bijna altijd sterk boeiende persoonlijkheid. ‘Het feit’, heb ik onlangs in deze courant over hem geschreven, ‘dat Slauerhoffs poëzie en persoonlijkheid zich in den loop van tien jaar betrekkelijk gelijk zijn gebleven, zonder dat daardoor zijn poëtische inspiratie is verslapt en zijn vormkracht is verschaald, bewijst alleen al, dat wij in Slauerhoff in den volsten zin des woords een groot dichter bezitten. Geen groot denker, geen belangrijk theoreticus, geen revolutionnair der ideeën; niets meer, maar ook niets minder dan een groot dichter.’

In dit verband wil ik er aanstonds op wijzen, dat de motiveering der commissie een bijzonder schoolmeesterachtigen indruk maakt, waar men het heeft over de bij uitstek ‘onverzorgdheid’ van zijn werk; reden waarom ‘de commissie lang geaarzeld heeft alvorens door een bekroning ook de schaduwzijde van dit werk een fiat te verleenen’. Uit dezen tekst spreekt weer eens het onverwoestbare paedagogische instinct, dat nooit nalaten kan groote mannen op hun onverzorgde nagels te wijzen. Terzijde: met die ‘onverzorgdheid’ valt het bij Slauerhoff nogal mee, als men het woord niet in den allerbekrompensten zin neemt.

Dat Slauerhoff ‘zich afficheert als rusteloos zwerver’ lijkt mij ook weinig juist gezien. Slauerhoff behoeft zicht niet als zoodanig te afficheeren, omdat hij één van de weinigen onder de dichters is, die werkelijk die zwerversnatuur in zich heeft. Ook eenige andere betuttelingen maken een tamelijk dwazen indruk in het advies der commissie; maar Schwamm drüber, de keuze, hoe angstig becommentarieerd ook, was hier volkomen verantwoord.

De verdeelde Mei-prijs

Over de prijzen, toegekend aan A. den Doolaard en Jan Engelman, zal men natuurlijk veel meer van meening verschillen. Den Doolaard heeft daarbij ditmaal zelf gezorgd voor een éclatant relletje in den stijl de Malissoren, waarover dadelijk nog iets, wat zijn werk betreft: het komt mij voor, dat het meer gemeen heeft (ook in de beste specimina ervan, zooals De Druivenplukkers) met journalistieke vaardigheid dan met reëele persoonlijke waarden. Als de commissie dus beweert, dat Den Doolaard er naar streeft ‘het leven nauwkeurig en in al zijn schakeeringen uit te beelden’ overdrijft zij, terwijl zij daarentegen volkomen in haar recht is, als zij er aan toevoegt, dat hij ook zijn best doet ‘de persoonlijkheid van den schrijver op den achtergrond te stellen’. Dit laatste beaam ik volmondig, en het is daarom, dat men De Herberg met het Hoefijzer vergeleken heeft met de verhalen van dr. Karl May.

Wat Jan Engelman aangaat: de commissie heeft hier weer zeer veel paedagogische reserves. ‘Jan Engelmans onbezorgde, doch fijn verzorgde woordkunst zingt letterlijk gelijk een vogel dat doet,’ zegt de commissie hoogst poëtisch. ‘Wij zijn echter niet blind voor de tekortkomingen van een talent, dat zich met zijn enkele ontplooiïng vergenoegt (? M.t.B.) en dat weigert tot instrument te worden voor dieper bewogenheden, die thans, als het ware door een wiegelied in slaap gezongen, niet aan het woord kunnen komen.’ Oef, na dit brok lyrisch proza moet men wel even uitblazen. Om de ‘dieper bewogenheden’ dus verder te activeeren stelt men Jan Engelman 500 gulden ter hand. Gelukkig legt de commissie ook nog den nadruk op de ‘dichterlijke vaardigheid’ van Engelman, want daarin moet men toch ongetwijfeld de reden zoeken, dat de schrijver van ‘Ambrosia wat vloeit mij aan’ tot de hooge, zij het dan gehalveerde eer geroepen is.

Het intermezzo Den Doolaard

Deze halveering heeft aanleiding gegeven tot een niet onvermakelijk incident, gelijk men gisteren in het avondblad heeft kunnen lezen. Den Doolaard is opgestaan en heeft gezegd, dat hij zich geen koning kan voorstellen, halverwege met hermelijn bekleed en met de andere helft van het lichaam in colbert, met links van zijn schedel de helft van de in tweeën gekapte kroon en rechts enkel doodgewoon haar; daarom weigerde hij den prijs. Op zichzelf nu pleit het al niet voor de fantasie van Den Doolaard, dat hij zich zulk een koning niet kan voorstellen, want daarover zou een roman te schrijven zijn; maar erger is, dat hier als motief van de weigering zeer duidelijk gekwetste ijdelheid naar voren komt. Als men een letterkundigen prijs wil weigeren, kan men dat doen op grond van het feit, dat men de Maatschappij der Ned. Letterkunde incompetent acht uit te maken, wat verdienstelijk is en wat niet; dat zou althans een standpunt zijn, waarvoor men met eenig goed recht als martelaar zou kunnen optreden. Maar het opponeeren van Den Doolaard tegen de bekroning van zijn collega Jan Engelman, zijn edelmoedig partij kiezen voor den schenker van den prijs tegen de Maatschappij, gevoegd bij de werkelijk zotte rhetoriek over zijn voorkeur voor het brood en de uien van de Malissoren, ‘waar eer het hoogste goed is’, maken deze heroïsche episode wel wat belachelijk. Zij heeft echter het voordeel, dat het monotone rhythme der 168ste bijeenkomst er door gebroken werd; en zou men daarvoor niet dankbaar zijn, nu de commissie voor het boerenhuis ten gronde is gegaan en de Friesche commissie bot heeft gevangen bij bijna alle Friezen? Er was wel wat vuurwerk noodig, en daarvoor heeft A. den Doolaard met lofwaardigen ernst zorg gedragen.

 

M.t.B.