Den gulden winckel

Hoe Bakhuizen van den Brink over de Duitschers oordeelde
Slappe scheidsrechters

Het Juninummer opent met een interessant artikel van dr W. van Ravesteyn over Bakhuizen van den Brink en zijn uitlatingen over de Duitsche psyche. Te beginnen met April 1844 heeft Bakhuizen uit Duitschland een aantal brieven geschreven aan zijn Nederlandsche vrienden, die merkwaardig veel gemeen hebben met de karakteristieken van Heinrich Heine. Bakhuizen was in Duitschland (met name in Bonn) uitmuntend ontvangen en van persoonlijke gekrenktheid was dus geen sprake. Volgens Karl Marx steekt de minste Hollander nog ver uit boven den besten Duitscher!, en dit oordeel wordt door Bakhuizen van den Brink met scherpe woorden ondersteund.

Bakhuizen beklaagt zich al spoedig over de ‘vele kleur- en vormlooze abstractieën der Moffen’, die hem ‘om de ooren zwermen’. Jacob Geel, anders zoo correct en beheerscht in zijn terminologie, antwoordt daarop, sprekende over Bakhuizens geschiedschrijving, het volgende:

‘Gij hebt gelijk, dat gij er de Bonnsche moffen maar niets van vertelt. Zij zouden U niet verstaan. Die zielen kunnen ook, in hunne “Germaansche algemeenheid”, onze liefde voor onze geschiedenis niet begrijpen. Ik heb wel eens gedacht, of hunne nationale eenheid iets anders is, dan een onafzienbare verwaandheid, die zich, bij gebrek aan concreetheid, in de speculatie gewikkeld tot de wolken verheft, en die op ons en anderen uit de hoogte nederziet’.

Dr van Ravessteyn geeft dan nog vele voorbeelden van Bakhuizens antipathie tegen de Duitsche cultuur. ‘De moffen gelooven in ernst, dat de Vlaamsche litteratuur de Hollandsche beschaving vooruit is’, constateert Bakhuizen vol afkeer, hij veracht de veel bewonderde frescos van Cornelius en leest in Duitschland ‘Tom Jones’.

Ook ten opzichte van het rassenvraagstuk is de brief van Bakhuizen uit Breslau (5 Febr. 1845) aan prof. Bake van belang, hij schrijft daar:

‘De echt Noordduitsche aangezichten begonnen mij tegen te staan, en de Poolsche en Boheemsche physionomieën zijn mij welkom. Het is zoo, er schuilt iets van het wild gedierte in, maar zij missen het osachtige der Noord-Duitschers. Wanneer een echte zoon van Germanie zijn lompe vuisten op de tafel steunt en dan met zijn grove lichaam overleunende een scherpe hoek met zijn armen beschrijft (het is een attitude, die zich alle middagen aan tafel reproduceert), dan is de familietrek met het hoornvee onmiskenbaar’.

Deze typeering van het uitverkoren ras moge ietwat partijdig geïnspireerd zijn, opmerkelijk is zij wel bij een cultureel hoogstaand man als Bakhuizen.

 

De redacteur W.A. Kramers spreekt in hetzelfde nummer zijn verontwaardiging uit over de behandeling van het geschil inzake Partij Remise, onder den titel ‘Slappe Scheidsrechters’. Hij gaat ongeveer accoord met de opvatting, die wij hier destijds verdedigd hebben en besluit zijn artikel aldus:

‘Men kan verder het geval laten voor wat het is. Gebleken is, dat de procedure op slordige wijze heeft plaats gehad in strijd met verschillende persoonlijk gedane beloften en gespeend was van het meest elementaire besef van wat het onderzoek voor de beslechting van een voorgelegd geschil meebrengt. Als men te lui of te gemakzuchtig is het werk verbonden aan de taak van een eereraad te doen, dan behoort men zulk een functie niet te aanvaarden. Voor den betrokkene staat altijd teveel op het spel dan dat men deze het slachtoffer mag laten worden van een oppervlakkige procedure, waarbij de beschuldigde door een vertrouwensman zelf partij is in een eereraad, terwijl de aanklager daarbuiten wordt gehouden. Dat is een aanfluiting van het begrip eereraad.

Indien niet duidelijk bewezen is, dat “talloze passages” – let wel “talloze!” – zijn “gegapt”, behoort voor de goede orde en hygiëne in de letteren, iemand, die dergelijke beschuldigingen met veel bombarie uit, nadrukkelijk op zijn plicht te worden gewezen op zijn woorden terug te nemen en verontschuldigingen aan te bieden. En het is de plicht van een eereraad die taak van terechtwijzing te vervullen, want men weet nimmer waar in de toekomst anderen aan bloot staan bij zulk een lasteraar. Een eereraad behoort scherp te oordeelen, maar geenszins bij een duidelijk en apart schaak met een remise te fingeeren. Dat is geen fair play’.

Giacomo Antonini behandelt de belangrijkste Fransche romans.

 

M.t.B.