Bernard Shaw in ‘shorts’

Het genie van den tweeden rang
Duel met Frank Harris

Bernard Shaw, Short Stories, Scraps and Shavings. With wood engravings bij John Farleigh (Constable, London, 1934).

Het overkomt mij dikwijls, dat ik menschen ontmoet, voor wie Bernard Shaw vrijwel niets anders is dan een reizende vulkaan van paradoxen. Van tijd tot tijd zien zij dien vulkaan in hun dagblad ergens spuwen, nu eens in Amerika, dan weer in Rusland; en wat hij uitbraakt, is dan gewoonlijk juist het tegendeel van datgene, wat zij verwacht hadden. Vandaar, dat de naam Shaw bij hen het visioen oproept van een schrijver, die het zoover heeft gebracht, dat hij zich alle litteraire poses kan veroorloven en overal wordt opgewacht door journalisten, die hem gelegenheid verschaffen zich weer eens in zulk een onverwachte pose te laten bezichtigen.

Tegenover Shakespeare

Inderdaad, het is zeker een unicum, deze krampachtige populariteit van een auteur, die werkelijk nog wel iets meer in zijn mars heeft dan anecdotes voor reporters; het is een unicum, dat een schrijver van beteekenis zoozeer identiek kan worden met den voorgevel, die het huis verbergt. Verbergt, dat moet men Shaw tot zijn eer dadelijk nageven. Maar aangezien de voorgevel toch ook een onderdeel is van de geheele architectuur van het huis, zou men ten onrechte den Shaw der kwistig rondgestrooide interviews geheel scheiden van den Shaw, die Candida en Pygmalion kon schrijven. Het is eenvoudig ondenkbaar, dat b.v. Dostojefski aldus door de wereld zou reizen en zich zoo zou laten ventileeren door persmuskieten; deze voorgevelallures van Bernard Shaw karakteriseeren wel degelijk zijn persoonlijkheid, die uit een zonderlinge mixtuur van Fabian-socialisme, Ibsen, Darwin en nog enkele andere elementen is gevormd. De democratische gemeenschap en de neiging tot wereldverbetering hebben zich in dezen merkwaardigen man gemengd met een belangrijk aantal sceptische reserves en kwaadaardige stekels; maar – zooals hij zelf heeft toegegeven in zijn commentaar op zijn biograaf Frank Harris – de ‘Weltverbesserungswahn’ is altijd een van zijn geliefkoosde hobby's gebleven; waaruit men weer mag concludeeren, dat hij, zelfs als hij voor de afwisseling dictatoren platonisch bewondert, altijd een onverbeterlijke democraat blijft en wel tot zijn dood blijven zál. Wat men is, hangt minder van de intellectueele gezindheid dan van de geheele persoonlijkheid af; en met hoeveel scherpte Shaw zich ook steeds geweerd heeft tegen de caricaturen, die uit de democratie (evenals trouwens uit de aristocratie) zijn voortgekomen, hij was nooit anders dan de democraat par exellence. Dat is zijn groote charme, want juist als democraat verstond hij de kunst zichzelf te blijven, en zich te onderscheiden van andere democraten; hij pleitte in vrijwel al zijn tooneelstukken, hij had nooit iets van den ‘l'art pour l'art’-auteur, hij achtte zich zelfs verheven boven Shakespeare, hij ontworstelde zich nooit geheel aan den invloed, dien de politieke spreekbeurten uit zijn socialistische periode op hem hadden; en toch werd hij... Shaw, een figuur, een eigenheid, het genie van den tweeden rang, als men wil, maar dan met een speciaal accent vol genegenheid op het woord ‘genie’. Shaw bewijst door zijn werk, dat het genie zich overal kan openbaren, dat de ‘tweede rang’ evengoed zijn genialiteit heeft als de eerste (en misschien ook de derde); want als men Shaw geniaal wil noemen (waartegen, dunkt mij, niet het geringste bezwaar bestaat), dan is het niet noodig, dat men daarom zijn duidelijke tweederangs-eigenschappen gaat idealiseeren; mét al zijn typische banale kanten, mét zijn voorgrond van gretige geestigheden en zijn achtergrond van angelsaksisch vertrouwen in ‘Life Force’ of ‘Creative Evolution’, heeft Shaw iets onnavolgbaars, dat menig stoer auteur van onaantastbare eersterangs middelmatigheden (ook die bestaan zoowaar!) hem onderhands geweldig zal benijden.

Zijn leven lang was Shaw een polemist, ook waar hij zich schijnbaar buiten de directe polemiek bewoog; als zoodanig is hij wellicht voor de representanten van het ‘l'art pour l'art’, voor de officieele wijsgeeren, voor de cultuurmenschen, kortom, van een zekere deftigheid, al spoedig afgedaan met eenzelfde gebaar, waarmee zij ook Ibsen plegen af te doen. Deze auteurs, zoo zegt men, zijn een tijd lang aan de orde, omdat zij zich bezig houden met de problemen van den dag, maar zij zijn dan ook spoedig verouderd en zijn niet te vergelijken met de auteurs, die ‘voor de eeuwigheid’ geschreven hebben. Niets heeft men dan ook Shaw meer kwalijk genomen, dan dat hij zich met Shakespeare dorst vergelijken en zich zelfs boven Shakespeare waagde te plaatsen; een pamflettist, die een ‘eeuwigen auteur’ aanrandde, was toch al te ridicuul! Maar het komt mij voor, dat de tegenstelling tusschen Shaw en Shakespeare zoo wel wat al te gemakkelijk wordt afgedaan. Shaw heeft geen Hamlet geschapen, dat is waar, en ik ken zelfs geen personage uit zijn omvangrijke oeuvre, die het ook maar een oogenblik tegen Hamlet zou kunnen opnemen; maar is 't niet bijzonder onvruchtbaar de quaestie aldus te stellen? Moet men Multatuli gaan verwijten, dat zijn Havelaar geen Faust is geworden? Van oneindig meer belang lijkt mij, dat Shaw de mogelijkheden die in hem waren met een meesterschap heeft gerealiseerd, waaraan alleen een kortzichtige (en doorgaans lichtelijk jaloersche) critiek den naam ‘goedkoop’ kan geven. En dat de werken van Shaw voor de zooveelste generatie (laat ons zeggen die van 1980) weinig of geen beteekenis meer zullen hebben, lijkt mij allerminst zoo zeker. Er zal veel afvallen, en er zal met name veel actueele toespeling en shaweske geestigheid afvallen; leest of speelt men echter den geheelen Shakespeare? Zonder ook maar iets te willen verdoezelen van het diepgaande verschil tusschen beide schrijverstypen: ik zou die laatste bewering toch niet gaarne voor mijn rekening nemen!

Twee auteurs, die elkaar ‘door’ hebben

Er zijn speciale genoegens op leesgebied, die men zich vooral niet moet onthouden. Daartoe behoort ook de lectuur van Frank Harris' unauthorised biography van Bernard Shaw, die in 1931, kort na den dood van Harris, verscheen met het postscriptum van Shaw zelf. Harris is ten onzent misschien meer bekend door zijn uitmuntende biographie van Oscar Wilde en door het schandaal, dat destijds zijn voor pornographie uitgemaakte My Life and Loves veroorzaakten, maar zijn boek over Shaw is zeker niet minder de moeite waard dan dat over Wilde. Het is geschreven zonder eenig ontzag voor den officieelen Shaw en de officieele litteraire traditie, die door de jaren om Shaw is geweven; de stijl is die van een nieuwsgierigen, soms indiscreten vriend, die geen andere bedoelingen heeft dan ‘achter de waarheid’ te komen, achter de schermen te kijken; men behoeft niet door overgenomen waardeeringen van anderen te waden, men behoeft zich evenmin door een rijstenbrijberg van gewichtige termen en -ismen heen te eten; de Shaw, waarover Harris handelt, is familiaar nabij en blijft desondanks (dat pleit voor Harris' intelligentie én voor de beteekenis van Shaw) onmiskenbaar een figuur.

Wat de lezing van dit boek zoo bijzonder aantrekkelijk maakt, is, dat de mensch en schrijver Harris voortdurend verbaasd is over een zoo ‘onmogelijk iemand’ als de mensch en schrijver Shaw. Harris, groot bewonderaar van Shakespeare en vrouwenkenner, is eigenlijk constant polemisch tegen zijn vriend, die het gewaagd heeft Bunyan boven Shakespeare te verkiezen en zich op het gebied van de sexe puriteinsch te gedragen; het is een vriendschappelijke vorm van polemiek, maar daarom niet minder principieel. In zijn postscriptum reageert Shaw daarop op een wijze, die geen twijfel overlaat, of hij heeft Harris ‘door’, meer nog wellicht dan Harris Shaw ‘door’ had; op zijn beurt acht hij Harris weer een ‘impossible man’ en hij omschrijft dat met redenen. Zoo wordt het boek als geheel veel meer dan een gewone biographie van de soort, die tegenwoordig in de mode is; het wordt een krachtmeting tusschen twee persoonlijkheden, die elkaar van zeer nabij hebben gekend, brieven hebben gewisseld, gesprekken hebben gevoerd... en elkaar in laatste instantie toch volkomen vreemd zijn gebleven. Het is een boeiend duel, waarbij men nu eens voor Shaw, dan weer voor Harris partij kiest.

Wil men Shaw leeren kennen, dan moet men natuurlijk in de eerste plaats zijn werken lezen; maar aangezien werken weer veel verbergen, dat aan de oogen van een vriend niet ontgaat, heeft men in de biographie van Harris een uitmuntende aanvulling. Al wijst Harris' manier van leven die van Shaw instinctief af, zijn geest is scherp genoeg om achter de shaweske clownerie motieven te speuren, waarvan ook Shaw zelf de waarde moet erkennen. Een van de zeer juiste dingen, die Harris heeft opgemerkt, is, dat Shaw, hoewel hij over een onuitputtelijken voorraad geestigheid beschikt, eigenlijk geen gevoel voor humor heeft. Dit lijkt mij geen toeval; er is te veel systeem in Shaws geestigheid, omdat hij in wezen een religieus en zelfs paedagogisch man is, een pleiter voor een ‘goede zaak’, een overtuigende wereldverbeteraar; zijn overvloed van geest is een reactieverschijnsel op de in veel opzichten zoo kromgetrokken Engelsche samenleving, waartegen Shaw voortdurend in het geweer is geweest, en dit reactieverschijnsel is hem tenslotte tot een tweede natuur geworden.

Engeland heeft een eigenaardig effect op zijn onafhankelijkste schrijvers, dat kan men duidelijk constateeren zoowel aan Shaw als aan D.H. Lawrence; van den weeromstuit trekken zij zelf naar den anderen kant krom, zij krijgen een hobby of een tic, die tegen de conventioneele Engelsche hobby's en tics ingaat. Daardoor herkent men hen op het continent toch altijd weer als typische Britsche staatsburgers, mét al hun negativiteit, mét al hun fel verzet. Shaw, ‘the funny man in a boarding-house’, zooals iemand hem genoemd heeft, is, van dit standpunt bekeken en ondanks zijn Iersch aangelengd bloed, toch weer een auteur, die nergens anders dan in Engeland mogelijk zou zijn.

Deugden en fouten door elkaar

De verzameling short stories en ander ‘kleingoed’, die thans bij Constable verschenen is, geeft in miniatuurdimensies een overzicht over verschillende tientallen jaren van Shaws litteraire leven. Men vindt hier de ups en downs van Shaws talent zorgeloos door elkaar; men vindt er zijn altijd ietwat gewilde en sterk theoretische persoonsbeschrijvingen, zijn bekenden satyrischen toon, die nu eens precies raak is en dan weer goedkoop aandoet, men vindt er alles, waaraan zijn tegenstanders, die meer voor het ‘l'art pour l'art’ zijn, zich terecht of ten onrechte ergeren. Het meerdendeel van deze verhalen getuigt van de nuchtere fantasie, waarover Shaw beschikt; zijn ingrediënten hebben bijna altijd iets onwerkelijks, maar de nuchterheid van zijn steeds observeerend critisch verstand maakt, dat de onwerkelijkheid der situatie direct gecompenseerd wordt door talrijke satyrieke elementen. Het eerste verhaal b.v. (Aerial Football: the New Game) brengt een overreden juffrouw en een bisschop, die zijn nek gebroken heeft, voor de Hemelpoort, het tweede (The Emperor and the Little Girl) den Duitschen keizer en een meisje op het slagveld van den wereldoorlog; in The Miraculous Revenge krijgt de lezer de geschiedenis van een wonder te hooren, maar het is een wonder à la Shaw; het eigenlijke middelpunt van de novelle is de man, die het wonder bespionneert, rationaliseert, kortom: tot een detectiveverhaal van het verstand omwerkt. Zoo gaat het in de meeste schetsen, die dit boek vullen; de bizarre situatie, waarvan een geboren romanticus zou hebben geprofiteerd ten bate van het gevoel, dient Shaw uitsluitend om zijn polemische driften vrij spel te laten; hij heeft die situaties noodig, omdat ze scherpe contrasten opleveren, en de scherpe contrasten leveren hem het beste materiaal voor zijn satyre.

Men moet deze short stories liever niet vergelijken, met die van zijn landgenoot Aldous Huxley, die een erkend meester is op dit terrein. Bij Shaw blijft de satyre veel meer aan de oppervlakte dan bij Huxley; zijn menschen blijven mager, omdat zij speelsche uitvindingen van een begaafd brochureschrijver zijn, die hen in dienst neemt voor zijn paradoxalen geest.

Shaw achter de negerin

In dezen bundel is voorts nog afgedrukt de reeds eerder afzonderlijk verschenen groote novelle The Adventures of the Black Girl in her Search for God (met de aardige houtsneden van John Farleigh). De reacties van deze ‘black girl’ op de verschillende Godsconcepties, die zij, gewapend met haar ‘knobkerry’, tegenkomt op haar expeditie, zijn zoo typisch en compleet Shaw, dat men van tijd tot tijd geneigd is in deze negerin een verjongde, poëtische schaduw van hemzelf te zien. Ook hier liggen Shaws goede en minder goede eigenschappen door elkaar heen; zijn grillige, maar altijd verstandelijke gecontroleerde fantasie brengt de zonderlingste phaenomenen bijeen om het directe en (volgens Shaw) primitief-spontane inzicht van het zwarte meisje een tegenwicht aan menschelijke cultuurdocumenten te geven. Het zou bij ieder ander auteur onherstelbaar goedkoop zijn geworden; bij Shaw heeft het altijd nog charme genoeg om den lezer voortdurend te boeien. Eigenlijk is ook in deze geschiedenis weer de pamflettist aan het woord, die zich achter een negerin verschuilt om zijn ideeën te verkondigen; trouwens, Shaw heeft niet kunnen nalaten er een explicatieven commentaar bij te schrijven, die de avonturen van zijn heldin nader toelicht.

Ten slotte trouwt het zwarte meisje in den tuin van Voltaire een ‘Irishman’, die ook in de houtsneden van Farleigh, verdacht veel op Shaw zelf lijkt. Met deze mogelijkheid heeft Frank Harris, die een geheel hoofdstuk aan Shaws ‘sex-credo’ wijdt, toch nog geen rekening gehouden...

 

Menno ter Braak

 

Dit artikel verscheen als Bernard Shaw in ‘shorts’ in Verzameld Werk, deel 5, pagina 226.