De eeuwige jeugd

Geproclameerd door ‘De Nieuwe Gemeenschap’
Tragedie van het gezag

De Spaansche wijsgeer Ortéga y Gasset heeft in zijn hier reeds meer genoemde boek De Opstand der Horden gesproken over het deels belachelijke, ‘deels ergerlijke feit, dat men in onze dagen van de jeugd als zoodanig een politiek programma heeft gemaakt’. ‘De menschen’, zegt hij, ‘verklaren te behooren tot “de jongeren”, alleen omdat zij hebben hooren zeggen dat de jeugd meer rechten dan verplichtingen heeft, daar zij de vervulling van haar verplichtingen kan uitstellen ad calendas Graecas der mannelijke rijpheid. De jongeling heeft zich altijd - als zoodanig - vrijgesteld beschouwd van het doen of gedaan hebben van grootsche daden. Hij heeft altijd van crediet geleefd. Dit ligt in de menschelijke natuur. Dat was een onjuist recht, dat zij, die niet jong waren, half ironisch, half verteederd aan de jongeren toekenden. Het is echter ontstellend, dat zij dit recht nu zelf nemen, als een effectief recht, juist om zich daardoor alle andere rechten toe te kennen, welke slechts behooren aan dengene, die reeds iets heeft verricht. Het lijkt een leugen en toch is het de waarheid, dat men er toe gekomen is van de jeugd een chantagemiddel te maken.’

Het woord ‘chantage’ klinkt hard, maar het is hier inderdaad niet misplaatst. Dat de natuurlijke verteedering voor de jeugd over is gegaan in een leuze: de jeugd om de jeugd, is een even belachelijk als ergerlijk feit. In Nederland zijn wij weliswaar nog maar beginnelingen in de leer en voor de werkelijk bigotte jeugdvereering moet men zich buiten onze grenzen begeven; hetgeen echter niet wegneemt, dat zich ook ten onzent analoge symptomen voordoen, die ook in andere opzichten de aandacht trekken. Het parool: ‘Keep that schoolgirl complexion’ hangt o.a. samen met de vrees voor oud te worden aangezien; en daarom forceert men liever de eeuwige puberteit dan dat men (wat in andere kringen weer het geval is) zich neerlegt bij het gezag en bezadigd wordt.

‘Arrivisme’ en ‘negativisme’

Om tot de zaak te komen: er speelt zich thans in onze tijdschriftenwereld een kleine comedie of tragedie af, die men ten onrechte geheel en bagatelle zou behandelen. Eenige maanden geleden maakten wij melding van een schisma, dat zich had voltrokken in den boezem van het tijdschrift De Gemeenschap. Een deel van redactie en medewerkers, onder leiding van Albert Kuyle, scheidde zich af stichtte een eigen orgaan, De Nieuwe Gemeenschap. Wij teekenden daarbij destijds aan, dat persoonlijke motieven hierbij een rol hadden gespeeld en dat de situatie in dit kamp voorloopig nog weinig duidelijk was, gegeven de neiging van beide partijen om zich in vage, grootsprakige algemeenheden uit te drukken; voorts, dat de uitgetreden redacteuren waarschijnlijk een radicale strooming vertegenwoordigen, terwijl in de oude Gemeenschap het meer behoudende element geconcentreerd bleef. Dit viel o.a. op te maken uit de invectieven uit het kamp der Nieuwe Gemeenschap aan het adres der ‘conservatieven’, ‘arrivisten’ en ‘indifferenten’, terwijl de oude Gemeenschap zich in beginsel uitsprak ‘voor de katholieke levensaanvaarding’ en ‘tegen het moordend negativisme’. ‘Die angst voor het negativisme’, voegden wij er aan toe, ‘is in dit kamp een bewijs voor het langzaam maar zeker officieel worden van de “jongere”, eens zoo rebelsche en vechtlustige katholieken.’

Er zou geen aanleiding zijn om nog eens op de quaestie terug te komen (waar de eerste helft van de beide jaargangen deze meening vrijwel heeft bevestigd), als het geschil zich niet zoo typisch ook naar den anderen kant (de geforceerde jeugdvereering) had toegespitst. Men krijgt n.l., dankzij dit conflict tusschen levensaanvaarders en negativisten, een curieuzen kijk op de verhouding van individu (persoonlijke vrijheid) en collectiviteit (autoritair gezag) in katholieke kringen; een verhouding, die ons als psychologisch materiaal welkom moet zijn, ook al interesseeren ons de gevechten voor het Museum voor Nieuwe Religieuse Kunst, waarvan met name De Nieuwe Gemeenschap davert, slechts anecdotisch.

De tijd van het compromis is voorbij

Wie van den beginne af (1925) de jaargangen van het tijdschrift De Gemeenschap heeft gevolgd, zal weten, dat het conflict tusschen de persoonlijke vrijheid en het kerkgezag hier permanent bestaan heeft en dat er even permanent is geschipperd om jeugdige vitaliteit en kerkelijke autoriteit zoo ongeveer in balans te houden. De vraag, of men zich al dan niet de kerkelijke censuur moest laten welgevallen, is voor de auteurs, die zich in deze beweging hadden vereenigd steeds weer actueel geweest, maar steeds weer diplomatiek verdrongen, en met reden. Dat een werkelijke oplossing hier niet mogelijk was, ligt voor de hand. Het katholieke individu, dat het leergezag niet over de geheele linie erkent, kan tijdelijke compromissen sluiten met den censor: op den duur zal het kleur moeten bekennen en óf buigen óf de permanente oppositie proclameeren. De tijd der compromissen nu heeft hier tamelijk lang geduurd; deze groep katholieke schrijvers was, toen zij werkelijk jong van jaren was, nu eens in conflict met de autoriteiten, dan weer geneigd bakzeil te halen, zonder dat een principieele houding viel te ontdekken; er bestond wel een sterk aesthetische strooming (het best gepersonifieerd in den onlangs door de Maatschappij der Letterkunde bekroonden Jan Engelman), die de paganistische verfijningen eerder zocht dan het geloofsbelang, naast een meer ‘volkstümliche’ richting, waarvan Albert Kuyle de voornaamste representant was, maar de gemeenschappelijkheid van het jong zijn maakt veel verschil goed. Dat er later toch conflicten ontstonden over de te volgen gedragslijn tegenover het kerkgezag, spreekt echter vanzelf; hoe meer de binding van het jong-zijn verdwijnt, hoe duidelijker de werkelijk persoonlijke verschillen aan het licht komen; en het heeft dan, ook reeds voor dit schisma, geenszins aan paleisrevoluties ontbroken. Tenslotte is de ‘krach’ gekomen, omdat men niet eeuwig met het compromissysteem kan blijven voortgaan. De groep Engelman-van Duinkerken heeft ‘afstand gedaan van de jeugd’, als men het zoo noemen mag; de groep Albert Kuyle (verrijkt met A.den Doolaard) heeft zich hongerig geworpen op een verlenging van het jeugdige tot een tijdstip, dat waarschijnlijk in de buurt van het seniliteitsstadium zal liggen.

Jeugd als moraalpredikatie

Uiterst karakteristiek voor deze kleine tragedie van het gezag is nu, hoe zich in de splitsing der tijdschriften de troebelheid van het compromis en het gebrek aan werkelijk doordenken over deze problemen wreken.

Plotseling n.l. zijn de beide tendenties volkomen uiteengevallen. Aan de eene zijde (de oude Gemeenschap) heeft het conformisme gezegevierd; men zal dat hier alleen niet aanstonds toegeven en vandaar, dat de inhoud van De Gemeenschap mat, kleurloos, vaag en algemeen is geworden. Bij de Nieuwe Gemeenschap daarentegen is alle zelfbeheersching verdwenen; men proclameert hier zooiets als de polemiek tegen alles en allen en het recht op de permanente ‘schoolgirl complexion’ (De Nieuwe Gemeenschap, het blad dat ‘een generatie jonger is’, luidt letterlijk de formule van aanbeveling!), men besteedt halve en driekwart afleveringen aan het door het slijk sleuren van de vroegere collega's, op grond van het feit, dat zij als dandy poseeren of graag professor willen worden; men zwelgt in de dolzinnigste manifesten en snorkende advertenties. Hoe funest de atmosfeer van het onopgeloste compromis tusschen gezag en individu op deze groep heeft gewerkt, ziet men in dit stadium, nu eenerzijds de stilzwijgende onderwerping aan het gezag op fletse neutraliteit uitloopt, anderzijds de ‘jeugdige’ verheerlijking van het individu op een apologie van den losgebroken stier blijkt neer te komen. Dit schisma bezegelt de troebelheid en tweeslachtigheid van een beweging, die verzuimde definitief af te rekenen met het probleem van enkeling en maatschappij en nu het weinig verkwikkelijke tafereel te zien geeft van een ongeëvenaard heftige familieveete.

Nog doorzichtiger van troebelheid wordt het geval, als men constateeren moet, dat het niet de bezadigd geworden oude Gemeenschap, maar de ‘jeugdige’, naar links en rechts blazende en spuwende Nieuwe Gemeenschap is, die... opkomt voor een sterk gezag. Deze nuance is te onthullend om haar niet met nadruk te vermelden, als het belangrijkste psychologische (zoo niet psycho-analytische) document in dit merkwaardige geding. In haar laatste aflevering begint de redactie een campagne tegen de onzedelijkheid, tegen onwelvoegelijke kleeding, tegen ‘slijtage van het schaamtegevoel’, tegen boeken als Naakte Waarheid en Bed en Sofa (dit is een film, maar op zulke kleinigheden moet men hier niet letten) en tegen nog meer verderfelijks, om tenslotte o.a. het volgende imperatief te eischen:

‘Staat, Kerk, en erkende openbare lichamen dienen voor te gaan in de practische erkenning van de waarde der kunst en amusementskunst voor de waarde van de cultuur.

Voor zoover een vrije ontwikkeling van de kunst schadelijk is voor het ware cultuurleven van staat en gemeenschap, hebben de staat en de gemeenschap den plicht zich hiertegen afdoende te weren. Film-import, filmvertooning, film-aanmaak en filmcritiek dienen aan strenge banden te worden gelegd, waarbij de gezondheid van staat en natie een voldoende criterium vormt.

Tooneel- en cabaretvertooningen dienen te komen onder een strenge staatscensuur die zich ten doel stelt kijkers en toehoorders te beschermen tegen de gevolgen van de verkeerd gebruikte menschelijke vrijheid, en zich zelf te vrijwaren voor het bederf dat hem, in de persoon van het volk, beschadigen zou.

De amusementslectuur en de totale inhoud van de kiosken dient, na gezuiverd te zijn volgens de normen hierboven voor andere gebieden van soortgelijke werkzaamheid gesteld; te werken aan den positieven opbouw van het goede volkskarakter, van het nationaal zedelijk bewustzijn...

De radio-omroep worde geheel onttrokken aan de particuliere propaganda, voorzoover deze in strijd is met de werkelijke belangen van de staat.

Alles wat zich niet kan of wil voegen naar de te scheppen wetten en besluiten, dient te verdwijnen. En met al datgene, het critisch monster eener onbestemde volwassenheid.

Opdat mede op dit terrein de dag der nationale verheffing aanstaande zij.’

De eeuwige onvolwassenheid moet regel worden

Dit is, men beseffe het wel, niet het programma van een extreem-calvinistische of fascistische partij, maar van een groep katholieke jongeren! Jongeren bovendien, die er hevig prijs op stellen jong te zijn en zelf tegen iederen vorm van gezag te opponeeren! Pikanter kan het al niet, doorzichtiger evenmin; en als men de door mij gecursiveerde zinnen met aandacht leest, zal men tot de conclusie moeten komen, dat Ortéga y Gasset niet ten onrechte heeft uitgevaren tegen den tegenwoordig overal bedreven ‘zwendel met de jeugd’. Het toeval wil, dat men in dezen nu eens helder kan aantoonen, hoe zich de gezagswellust ontwikkelt: n.l. als vrucht van een onopgelost puberteitsconflict. Omdat deze ‘jeugd’ aan de volwassenheid niet toe kan komen, omdat zij volwassenheid identificeert met de doode onderwerping aan het gezag, zal zij ook de rest van de wereld dwingen zich met huid en haar over te geven aan moralistische dictatuur van de eeuwige onvolwassenheid.

En nu zegge men niet, dat de holle rhetoriek er te dik opligt of dat het hier ‘maar’ tijdschriftpolemieken tusschen katholieke belangen betreft, die ons niet aangaan; immers deze historie zou als parabel kunnen dienen van wat zich in het groot elders reeds voltrokken heeft. Deze rhetoriek is, men moge het aangenaam vinden of niet, hopeloos aan de orde.

 

M.t.B.